Het slecht nieuws gesprek, januari 2008

Natuurlijk botsen we ook op cultuurverschillen. We maken daar niet zo’n toestand van. Je kunt er gewoon over praten. Zo zijn wij in hun ogen nogal direct, om niet te zeggen onbeleefd. Maar als wij ons in de trainingen aanpassen aan hun buitengewoon beleefde cultuur, dan schiet het niet erg op. Zo willen wij graag van onze cursisten horen wat ze er zelf van vinden, en niets is zo saai en nutteloos als wanneer ze braaf in hun schriftjes schrijven wat de meester zegt – zo hebben ze onderwijs gehad – en vervolgens eigenwijs, want dat zijn Palestijnen ook, gewoon hun eigen gang gaan en op de oude manier verder werken.

Dus wij willen graag, op onze manier, met ze in gesprek. Zo beginnen we dus onze cursus: luister. Jullie zijn het beleefdste volk ter wereld. Veel beleefder dan wij. Dus jullie hebben geleerd dat je een gast uit het buitenland niet tegen moet spreken. Maar daar hebben we niks aan. We willen graag weten wat jullie denken, we willen graag met jullie in gesprek, en van mening verschillen. En dus vragen we of jullie vandaag een beetje minder beleefd willen zijn. Dat scheelt ook een boel tijd.

Dan lachen ze meestal, en het werkt. En na een tijd merken ze dat het veel leuker en spannender wordt, en dat we goed samenwerken, ook als we hartstochtelijk van mening verschillen. Want hartstochtelijk van mening verschillen, daar zijn Palestijnen heel goed in.

Een van de grote cultuurverschillen is het brengen van slecht nieuws. Onze Palestijnse collega’s houden er niet van om tegen ouders, of tegen een kind zelf als die oud genoeg is te moeten zeggen dat hij nooit meer beter zal worden. Nooit meer zal lopen. Dat mag niet van ons geloof, zegt het Palestijnse team, je mag mensen nooit de hoop ontnemen, je moet altijd blijven geloven dat het in de hand van God is.

Ja maar, zeggen wij, je kunt toch zien wat er gebeurt wanneer ouders en zo’n jongen blijven hopen dat hij nog zal kunnen lopen? Ze sjouwen stad en land met hem af om nog duurdere artsen te vinden, ze laten hem opereren, soms tot in Egypte, ze kopen waanzinnig dure medicijnen voor hem die natuurlijk niets helpen, ze steken zich in de schulden. Uiteindelijk blijkt dat niets heeft geholpen. En al die tijd steken ze hun energie niet in waar het werkelijk om gaat: dat ze er mee moeten leren leven dat hij voor altijd in een rolstoel zit, dat hij specifieke zorg nodig heeft, dat hij moet leren accepteren dat hij een beperking heeft, maar ook in een rolstoel nog van alles kan. Door hem en zijn familie in de waan te laten vertraag je alleen maar dat proces.

Daar zijn ze het wel mee eens, want dat maken ze vaak mee. Maar dan komt de aap uit de mouw. Het is niet zozeer cultuur of geloof, ze vinden het gewoon heel erg moeilijk. Ze zijn bang voor het verdriet, of voor de woede die komt, ze zijn bang dat de ouders met hun kind weglopen en dat ze dan een patiënt kwijt zijn, of dat mensen zullen denken dat zij het niet goed hebben gedaan. En dat er misschien wel een andere arts te vinden is, die beter is.

Dat snappen wij wel weer, en Joes Meens die als verpleeghuisarts veel ervaring heeft met slecht nieuws-gesprekken, vertelt dat hij dat ook heeft moeten leren. En dan geven we nog les, dat bij rouw, want daar gaat het over, mensen verschillende fasen door kunnen maken – van ontkenning, diep verdriet, woede, gemarchandeer (lieve God, als ik beloof dat ik elke dag vijf keer bid maakt u dan dat ik weer kan lopen) tot uiteindelijk acceptatie. En dat al die emoties, het huilen, het schreeuwen, niet erg zijn. Dat je er gewoon bij kunt blijven, iemand vast kunt houden.

We nodigen ze uit om ermee te oefenen. Elkaar erbij te ondersteunen. En Joes Meens gaat mee, op huisbezoek, en mag het goede voorbeeld geven. Het komt vaak voor dat de ouders hun hoop hebben gevestigd op de buitenlandse arts. Zoals bij de familie op deze foto’s. Een jonge man, meer jongen nog dan man. Donkere huid, Afrikaanse invloed, petje op. Israëlisch schot in de rug. Dunne slappe benen. Incontinent, dus met een luier om. Het team kwam er vooral om zijn doorligwonden te verzorgen. Diep. Er kon een vinger in. Daar voelde hij vanwege zijn verlamming niets van. Het zou wel goed komen, de wond was schoon. Zijn moeder en zijn broer zorgden goed voor hem. Het team werkt graag met deze familie samen. En ze hadden, voorzichtig, al laten weten dat ze niet dachten dat de jongen nog zou kunnen lopen. De familie geloofde het nog niet.

Dus stelden ze de vraag aan Joes Meens, de buitenlandse arts. ‘Of hij ooit weer zou lopen’, vroeg de jongen. Joes ging er voor zitten. Wil je het echt weten? Hij wilde het echt weten, zei hij. Je zult nooit meer kunnen lopen, zei Joes. We zagen hem slikken en wegkijken. We zaten bij hem, om hem heen, zwijgend. Na een tijdje zei Joes: ‘het team komt morgen bij je terug, en dan kun je verder met hen praten, hoe het verder moet.’ Hij knikte.

Zijn moeder zag dat ik ook tranen in mijn ogen had en toen we opstonden schoof ze zonder iets te zeggen zo mijn armen in, om te huilen. Daar sta je dan, midden in Gaza en houdt een verdrietige moeder in je armen die je nog maar een halfuur kent en het is alsof het zo zijn moest. Alsof je daar moest zijn om die moeder even vast te houden. En zij jou.

En dan praten we erover, met het team. Zien jullie, die mensen zijn verdrietig, maar daar hebben ze recht op, en jullie zijn het niet die ze verdrietig maken, jullie zijn het die ze bij hun verdriet bij kunnen staan. En die jongen kunnen helpen, hoe hij verder moet, hoe hij een nieuw levensperspectief kan ontwikkelen. En die moeder bij kunnen staan, die ook verdriet heeft. En bedenkt dat hij misschien wel nooit zal trouwen en dat ze dan geen kleinkinderen krijgt.

Het team is onder de indruk, van hoe we het samen hebben gedaan. En die jongen, en zijn familie, zijn ze niet kwijtgeraakt. Een paar dagen later zit hij in zijn rolstoel, met zijn moeder, bij een evaluatiebijeenkomst van het NCCR, en daar ziet hij andere jonge mannen in rolstoelen, die al het hoogste woord hebben, die zich niet meer schamen. Die kunnen hem ook helpen om zich minder hopeloos en hulpeloos te voelen. Zo werkt dat.

Het is altijd weer even spannend om over die cultuurverschillen heen met elkaar in gesprek te raken en echt samen te werken.

Anja Meulenbelt
Gaza, januari 2008