Wat is dit hier, een veldhospitaal?

Verslag van een werkbezoek aan Gaza, midden in de intifada. Anja Meulenbelt, 21 april 2001

Nasser Abdul Karim al RaziOp het kantoor van het nieuwe Gaza Home Care Program, dat ondersteuning organiseert voor de nieuwe gehandicapten van de intifada laat Khaled Abu Zaid ons de vele pagina’s lange lijst met namen van de gewonden zien. De helft van hen, 51% is gewond tijdens de confrontaties met het Israëlische leger, maar er is ook geschoten op kinderen op weg naar school of naar huis. Kogels en mortiergranaten drongen huizen, scholen en ziekenhuizen binnen. Sommige gewonden kwamen er van af met de schrik, een schampschot en eerste hulp, anderen liggen nog steeds in coma in een ziekenhuis. In de buitenlandse ziekenhuizen revalideren zo goed en zo kwaad als het gaat de Gazanen, meestal jongens, die voor de rest van hun leven gehandicapt zullen blijven. Hoeveel het er precies zijn weet nog niemand. De schatting is 10% van de gewonden, zeker degenen waar gericht op is geschoten. Dat zijn dus in ieder geval honderden, misschien wel duizend nieuwe gehandicapten in de Gaza-strook.

We zijn er, het is april, voor de derde keer sinds de nieuwe intifada, het vaste team van stichting Kifaia, Joes, Eelco, Anja, aangevuld met een verpleegkundige, Ruud van der Ven. Het was dit keer leeg bij Erez checkpoint. De meeste buitenlanders hebben de Gaza-strook al verlaten. Palestijnen mogen er niet uit. Israëli’s, behalve natuurlijk het leger en de kolonisten die hun eigen toegangswegen hebben mogen er niet in. ‘Are you sure you wanna go inside there?’ vroeg een Israëlische soldaat ons toen we de grens over gingen. Dit keer zullen we het nieuwe Palestijnse team van het Gaza Home Care Program trainen, in de beste zorg voor gehandicapten, en in multidisciplinaire samenwerking.

We wisten dat we terecht zouden komen in een oorlogstoestand. In oktober moesten we geëvacueerd worden toen de Gaza-strook voor het eerst vanuit de lucht werd beschoten, inmiddels was de intensiteit van de bombardementen, vanuit zee, land en de lucht opgevoerd. De Gazanen zijn omsingeld, ook binnen hun eigen land, dat door het leger met tanks in vier van elkaar geïsoleerde stukken is verdeeld. Als Israël edelmoedig aankondigt dat er die dag weer een paar duizend arbeiders naar hun werk in Israël mogen houdt iedereen in Gaza zijn hart vast. Zulke gebaren die bedoeld zijn om de buitenwereld te laten weten dat de Israëlische regering niet compleet harteloos is worden praktisch altijd gevolgd met nog zwaardere aanvallen uit de lucht. ‘Alles wat ze geven nemen ze dubbel terug’, zegt Khaled. We vallen alleen terroristische doelen aan, heeft Israël gezegd. Dat kan kloppen als je er van uit gaat dat de hele bevolking van Gaza in verzet is tegen de bezetting. Dan is het dus terecht is om mortiergranaten te gooien op vluchtelingenkampen, en is het hun eigen schuld als er vele slachtoffers worden gemaakt.

Eelco en Ruud bij een gebombardeerd huis
 Eelco en Ruud bij een gebombardeerd huisAlleen militaire doelen worden aangevallen, zegt Israël. En inderdaad, het ziekenhuis dat is gebombardeerd vanuit een legerpost bij Erez, waarbij een arts werd gedood tijdens zijn spreekuur, is een militair hospitaal. Door de omsingeling binnen de strook kunnen mensen uit Gaza-stad niet naar de middenkampen- de vluchtelingenkampen tussen Gaza-stad en het zuiden, die ook weer afgesloten zijn van de steden Khan Yunis en Rafah in het zuiden. Mensen kunnen niet naar hun werk, als ze dat al hebben, kinderen kunnen soms niet naar school, familieleden hebben elkaar al maanden niet gezien, mensen kunnen niet naar het ziekenhuis of naar een arts, tuinders kunnen hun groente niet kwijt, terwijl aan de ene kant van de barricade voedseltekorten zijn verrotten de tomaten aan de andere kant. Rondom de nederzettingen wordt steeds meer bouwland vernietigd, en er is al zo weinig, en boomgaarden met de grond gelijk gemaakt. Mensen proberen nog ergens een heenkomen te zoeken, dieper het kamp in, slapen op de vloer in kantoren in Gaza-stad waarvan ze hopen dat het daar veilig is, de kinderen zijn bang. We hebben de gebombardeerde huisjes gezien van twee grote vluchtelingenfamilies in Beit Lahia, het bloed op een kinderbedje, er waren gelukkig alleen gewonden en geen doden. De families, 19 kinderen, slapen nu letterlijk op straat.

 Dakloze familie tussen de brokstukken van hun huis
 Dakloze familie tussen de brokstukken van hun huisOp dinsdagnacht 10 april werd ik wakker van het angstaanjagende gebrom van gevechtshelikopters en de doffe dreunen van inslagen in de verte. Tussen 1 en 4 uur ‘s nachts  werd Khan Yunis niet alleen beschoten uit de lucht, maar trokken tanks de dichtbevolkte woonkern in. Vijftien huizen werden kapot geschoten, nog vijftien door bulldozers met de grond gelijk gemaakt. De bewoners kregen een half uur om te vertrekken, huisraad mochten ze niet meenemen. Voor de tweede, of derde keer in hun leven dakloos geworden. Drie doden, vijftig nieuwe gewonden. Het Israëlische leger noemt dit zelfverdediging, want er waren vanuit Khan Yunis een paar raketten afgeschoten naar Israëlisch grondgebied. Dat die geen enkele schade aangericht hadden was geen punt. Het was de eerste keer dat Israëlische tanks de dichtbewoonde gebieden introkken die formeel onder Palestijns gezag staan en het belooft weinig goeds voor de toekomst. Mocht iemand ooit de illusie gehad hebben dat de Gaza-strook werkelijk autonoom was geworden, niemand twijfelt er nu nog aan dat de Gazanen moeten leven onder een permanente militaire bezetting.

Onder de gewonden van de intifada zijn jongens die met zogenaamde rubberkogels (metalen kogels met een rubberlaagje) in een oog zijn geschoten tijdens demonstraties en nu half blind zijn of geraakt zijn terwijl ze stenen gooiden naar de Israëlische tanks bij de kolonistenkruispunten. Er zijn jongens bij met geamputeerde armen en benen, met dwarslaesies (voor de rest van hun leven verlamd) doordat hun ruggengraat geraakt is, of met hersenletsel. De kogels die hen hebben getroffen zijn meestal geen normale kogels maar ‘high velocity bullets’, die uit elkaar barsten in het lichaam en grote schade aanrichten. Ook wordt er geëxperimenteerd met spijkerkogels, bestaand uit kleine spijkertjes die zich door het lichaam verspreiden. En daarnaast zijn er de slach
toffers van een nieuw gas, niet het gewone traangas maar een gas dat epileptische aanvallen veroorzaakt, er zijn al doden door gevallen. En dan zijn er nog de gewonden door instortende huizen en granaatscherven. De zwaarst gewonde jongens liggen op dit moment nog verspreid in buitenlandse ziekenhuizen, de ziekenhuizen in Gaza hebben onvoldoende bedden en niet genoeg operatie- en intensive care faciliteiten om de grote stroom gewonden te kunnen verwerken. En er is in de Gaza strook niet één revalidatie-centrum waar gehandicapten kunnen leren zich aan hun handicap aan te passen. En dus worden daar de meeste slachtoffers na de eerste medische behandeling ontslagen zonder goede nazorg. En daardoor, ook door het gebrek aan goede voorlichting, ontstaan veel, soms levensbedreigende complicaties. Een deel van de zwaarst gewonden komt nu langzamerhand terug uit het buitenland. Nu die jongens stuk voor stuk terugkomen naar huis kunnen we beginnen in te schatten hoe groot de schade is en wat het Gaza Home Care Program te doen staat.

Dr. Wa’el bezoekt een jongen in het ziekenhuis
Dr. Wa’el visiting a boy in hospital
(klik voor een grotere foto)

Op de eerste dag van de training komt Muhammad Manah met zijn vader langs. Muhammad kenden we van ons vorig bezoek, een jongen van zestien die in zijn arm was geschoten. (Zie zijn verhaal op de website van Kifaia, www.xs4all.nl/~kifaia) Een paar maanden geleden dachten we nog dat Muhammad een ‘licht’ geval was, waar het team weinig zorg aan zou hebben. Hij kon alleen zijn linkerarm niet meer gebruiken, en met goede fysiotherapie zouden zijn schouder en misschien ook zijn elleboog nog goed kunnen komen. Nu zit Muhammad er opnieuw. Inderdaad, door de zorg van onze fysiotherapeut Yehia is zijn schouder niet meer stijf en pijnlijk, zijn elleboog kan hij weer buigen, hij heeft een spalk voor zijn onderarm en een mitella. Het probleem is dat hij opnieuw met stenen is gaan gooien, hij heeft tenslotte zijn rechterarm nog. Daar liep hij een schampschot bij op aan zijn hoofd op, de pleister zit er nog , en bij het wegrennen viel hij op zijn slechte arm die nu opnieuw is beschadigd. Zijn ouders, gek van angst, weten niet hoe ze hem tegen kunnen houden. Want hij gaat door, tot ook hij in een rolstoel terecht komt of doodgeschoten wordt. Het confronteert ons, en het Palestijnse team er mee dat de strijd nog lang niet voorbij is, dat het niet alleen gaat om fysieke medische zorg maar ook om psychisch zwaar getraumatiseerde jongeren die zichzelf in feite hebben opgegeven en niet meer hechten aan hun leven. Je ziet het soms aan hun ogen. Alsof ze al weg zijn. ‘Wat doen we hier’, vroeg Ruud, ‘zijn we een veldhospitaal?’

Het nieuwe team begon nieuwsgierig, gemotiveerd en kritisch aan de training. Twee jonge artsen, dr.Wa’el en dr.Machmoed, Ratiba, een verpleegster die al in Libanon had gewerkt, de fysiotherapeut Yehia die we al kenden van het vorige project, Nesreen de psychologe en Yasmeen de maatschappelijk werkster, aangevuld door Brigitta, een vrijwilligster uit Duitsland. Ramadan en Muhammad tolkten. Het doel van de training was meerledig: hoe maak je systematisch een op elk individu gericht zorgplan dat rekening houdt met alle factoren: lichamelijke, maar ook psychologische en sociale problemen. Hoe breng je vervolgens het behandelplan tot uitvoering in dagelijkse zorg in de thuissituatie, en hoe betrek je daar de familie bij die uitvoerig voorgelicht en begeleid moet worden. Daar is een multidisciplinaire samenwerking voor noodzakelijk, en een team dat van elkaar op aan kan. Gaandeweg de week werd steeds duidelijker wat de meerwaarde zou zijn van deze in Nederlandse verpleeghuizen  ontwikkelde, maar aan de Palestijnse situatie aangepaste aanpak. ’s Ochtends instructies over wondverzorging, incontinentiezorg en dergelijke, ’s middags huisbezoeken, erna het gezamenlijk opstellen en uitwerken van de zorgplannen, en dan op tijd naar huis vanwege de bombardementen. Voor wie naar huis kan. Ramadan, onze tolk, die al een keer in zijn voet is geschoten, woont in Bureije, een van de middenkampen, en gaat elke dag naar zijn werk via de sluipweg over het strand. Hij kijkt welke kant de loop van de tanks en de kanonnen op de gevechtsschepen heen wijzen, en op goed geluk rent hij door de gevarenzone in de hoop dat ze hem niet zien. Maar deze nacht slaapt hij maar op de bank bij een zus in Gaza-stad.

 

Nasser in zijn rolstoel
Nasser in his wheelchair
(klik voor een grotere foto)

Op de derde ochtend, tijdens een les over het verzorgen en voorkomen van doorligwonden, een van de meest voorkomende complicaties van de gehandicapten die in rolstoelen zitten of de hele dag moeten liggen, wordt een nieuwe patiënt binnengereden, Nasser Abdul Karim al Razi. Een broodmagere zeventienjarige jongen in een rolstoel, vergezeld door een hele stoet mannen, een oudere broer, zijn vader, oom en grootvader. Nasser is twee dagen geleden teruggekomen uit Saoedi Arabië, waar hij maanden in een ziekenhuis heeft liggen revalideren na zware operaties. Nasser is inmiddels beroemd, als een van de eerste intifada slachtoffers. Op de eerste dag dat de volksopstand was overgeslagen naar de Gaza-strook, op 30 september, was hij met zijn vrienden naar de Karni crossing gegaan om er met stenen te gooien naar het Israëlische leger. Hij was aan een been geraakt door een kogel, had die bij de eerste hulp laten verbinden, was teruggegaan om door te vechten en was toen geraakt door een voltreffer in zijn linkerzij. Bewusteloos was bij afgevoerd. Toen hij om middernacht nog niet thuis was waren zijn ouders hem gaan zoeken. In het Shifa ziekenhuis, geheel in chaos door alle gewonden, zeiden ze dat hij er niet was. Maar zijn vrienden wisten zeker dat hij was neergeschoten. Onder de doden was hij ook niet. Uiteindelijk vonden ze hem in de intensive care, in coma. De familie  kreeg toestemming om hem in een ambulance naar een Israëlisch ziekenhuis te laten vervoeren. Zijn tante ging mee. Maar die mocht, als volwassen Palestijn, niet ’s nachts in Israël blijven, en werd teruggestuurd. De familie besloot dat ze het hun zoon niet aan konden doen dat hij uit zijn coma zou ontwaken, alleen, in vijandig gebied, en vertrouwden er niet op dat hij goed behandeld zou worden. Nasser werd, nog steeds bewusteloos, teruggebracht naar Gaza, toen met andere gewonden  op een vliegtuig gezet naar Amman in Jordanië, van waaruit hij doorgevlogen werd naar een ziekenhuis in Saoedi Arabië. Zijn vader ging mee. Het lukte om zijn leven te redden. Die ene kogel had grote schade aangericht, een nier en zijn milt moest worden verwijderd, zijn darmen waren beschadigd, en de kogel had uiteindelijk de zenuwbaan in zijn ruggengraat geraakt. Hij is het gevoel in zijn onderlijf kwijt en zal nooit meer kunnen lopen. Zes maanden was hij weg. Hij kreeg een prachtige rolstoel, en leerde die behendig gebruiken. En nu is hij terug, in Gaza, terug bij zijn familie van tien kinderen waarvan er nog een gehandicapt is, een werkloze vader, op een woninkje van twee kleine kamers en een dichtgetimmerde veranda dat alleen te bereiken is via een ook voor niet gehandicapten levensgevaarlijk steile trap. En daar zit hij nu. Zijn vrienden gaan nog naar school, en vechten door. School kan hij voorlopig wel vergeten. De twee vrienden met wie hij zich het meest verwant voelt, ook gehandicapt, zijn nog in het buitenland. Voor zijn familie, de vader deelde foto’s van hem uit, is hij een held. Zijn foto heeft in de krant gestaan, zijn verhaal is op de televisie verteld. Maar hij zelf ziet er niet uit als een held, maar als een smalle jongen met het eerste donshaar op zijn bovenlip en sombere ogen. Die naar binnen gekeerde blik die we vaker tegen zouden komen. Zwaar depressief. Want wat moet hij nu?

Nasser kwam als geroepen, op die dag. Want met hem werd voor het Palestijnse team en voor ons duidelijk waar het werk uit zal gaan bestaan: een combinatie van zorg en emotionel
e ondersteuning, voor de kinderen zelf en hun families. Het eerste punt: Nasser had wel de beste medische behandeling gekregen, en een mooie rolstoel. Maar aan de ‘care’ was nauwelijks aandacht besteed. Hij eet nauwelijks, misselijk, geen eetlust. Hij geeft steeds over, ondanks de hapjes die zijn moeder speciaal voor hem maakt. De andere kinderen mogen blij zijn als er om de andere dag gekookt wordt, bonen, of als er een keer kaas bij het brood is. Hij is zo afgevallen dat hij losjes in het korset zit dat hem in zijn rolstoel overeind moest houden. Hij heeft een brandwond op zijn been, door een te hete douche, hij had geprobeerd of hij nog pijn kon voelen en zich verbrand. Hij blijkt onder de doorligwonden te zitten. Hij is incontinent, krijgt elke dag laxeermiddelen, poept in zijn broek en schaamt zich dan voor de stank en wil niet naar buiten. Als hij niet beter verzorgd wordt is hij met zo’n maand of twee wel dood, ondanks alle dure medische behandelingen die hij al heeft gehad. Het team kan meteen oefenen: is er een medische reden voor dat hij niet eet, of is het psychisch? De psychologe die met hem praat komt er meteen al achter dat hij ’s nachts wakker wordt van de nachtmerries en ook nauwelijks slaapt. Of slaapt hij niet vanwege de pijn in zijn zij door de schotwond? Aan de incontinentie is wel wat te doen, maar is dat de enige reden dat hij zich schaamt en niet naar buiten wil? En kunnen ze de toch al overbelaste moeder zover krijgen dat ze zijn wonden beter gaat verzorgen, en zijn vader, die zo trots is op zijn held, maar die geen enkel oog lijkt te hebben voor zijn emotionele toestand, hoe kunnen ze die bij de behandeling betrekken? En wat moet je met het feit dat de hele familie nauwelijks te eten heeft en op een woninkje woont dat totaal ongeschikt is voor een gehandicapte jongen die de trap op en af gesjouwd moet worden? Dit is dus het tweede punt waar het team mee te maken krijgt, de gevolgen van trauma. En de zwaarste vraag: wil Nasser wel blijven leven? Wat is zijn toekomst? Nog heeft hij de hoop niet opgegeven dat hij weer zal kunnen lopen, en door kan gaan met vechten. ‘We moeten wel’ zei hij toen ik hem dat vroeg, ‘als wij niet vechten gaan we allemaal in ons huis dood’. Stenen tegen tanks. Beter dan machteloos thuisblijven. Moet je hem nu al van die laatste droom beroven? Zijn vader vroeg het team of hij later weer gewoon seks zou kunnen hebben, en kinderen krijgen. Wat moet je hem vertellen? Wie wil er met een jonge man in een rolstoel trouwen die waarschijnlijk geen geld zal kunnen verdienen, en met wie er hoogstens, moeizaam, met veel technische hulp kinderen te produceren zijn?

 

Het GHCP team op huisbezoek
The GHCP Team on a home visit
(klik voor een grotere foto)

Uren is het team bezig met een behandelplan, met de vragen die nog beantwoord moeten worden, met het stellen van prioriteiten. Eerst de doorligwonden en de incontinentie. Een voedingsprogramma. De ouders trainen. Kijken hoe die jongen met kleine stapjes weer een doel in zijn leven zou kunnen krijgen en uit zijn isolement zou kunnen komen. Misschien gaat het lukken, via het ministerie, om een benedenhuis te organiseren, hoewel dat met al die vluchtelingen niet makkelijk zal zijn, en mag je zo’n familie wel voortrekken terwijl er zoveel nieuwe daklozen zijn?

Ik hield een inleiding over trauma, over het trauma van verlies, als je als jonge man onder ogen moet zien dat je hele leven is veranderd, en hoe weinig het helpt als iedereen zegt dat je een held bent en je je verplicht voelt om je flink te houden. En over het oorlogstrauma dat hier al zo gewoon is dat niemand meer beseft dat dat is waar ze last van hebben. Al die jongens die hun angst bestrijden door het gevaar op te zoeken in plaats van er voor weg te lopen. Die het gevoel hebben dat de toekomst van hun land van hun afhangt, niet van hun vaders die de vernedering niet kunnen verwerken van werkeloos zijn en hun kinderen niet kunnen beschermen. Het beeld van de kleine Muhammad al Durra, doodgeschoten in de armen van zijn vader heeft er ingehakt. Ook vaders kunnen je niet redden. En zo zien we massa’s jongetjes die haast hebben om groot te worden, zodat ze niet bang thuis hoeven te zitten maar net als hun grote broers stenen kunnen gaan gooien en helden worden. Desnoods dode helden. De jonge psychologe, nog opgeleid met Freud (Freud in Gaza!) knik, ja, dit herkent ze wel. Het hele team moet meedenken, ook de medisch geschoolde teamleden die niets hebben met psychologie, hoe je deze jongen kan helpen, helpen zich te uiten, hem uitleggen dat nachtmerries heel gewoon zijn na wat hij heeft meegemaakt, dat hij niet gek is. Er is nog zo veel te doen.

Nasser heeft ons de eerste les gegeven in wat er nog komt. Hij mag niet klagen vindt hij zelf. Hij wist wat hij deed. De anderen die bij hem in het ziekenhuis lagen  en die er nog aan komen zijn er nog erger aan toe dan hij, zegt hij.

De training heeft ruimschoots aan het doel beantwoord. Maar we maken ons zorgen. Kan het team de immense taak aan, lichamelijk maar vooral ook emotioneel? Voorlopig is het geen overbodige luxe dat we ze blijven ondersteunen en begeleiden. We zullen in een komende training meer aandacht moeten besteden aan hoe ze het vol kunnen houden, hoe ze grenzen kunnen stellen als al die schrijnende gevallen binnen komen. Wat ze zelf kunnen doen om niet op te branden, ook niet als ze sommige van de jongens waar ze met zoveel liefde voor zorgen alsnog zullen verliezen.

 

Verpleegster Ratiba
Nurse Ratiba
(klik voor een grotere foto)

Yehia en Wa’el hebben elk een gedicht voor ons geschreven, en lezen die voor op de laatste bijeenkomst. De getuigschriften worden uitgedeeld aan het Palestijnse team en wij, van het Nederlandse team, krijgen elk een prachtig ‘certificaat van eer’ en een speech van Khaled. Ratiba kan geen woorden vinden en barst in snikken uit. We weten het inmiddels: in de eerste plaats komen we voor de gehandicapten, maar we komen ook voor dit team dat het vol moet zien te houden, voor de mensen in Gaza die moeten overleven, een belegerde bevolking die zich afgesloten voelt van de wereld en zich afvraagt of het de mensen daarbuiten nog wat kan schelen. Wij, de ‘hollandi’, krijgen een boodschap mee: ‘please tell the world outside what is happening here!’ Natuurlijk doen we dat, en natuurlijk komen we terug, als het maar enigszins kan zijn we er in juni weer. Insha’allah.

 

‘Voor mensen met rechtvaardige handen’
giro: 8207589 Stichting Kifaia, Amsterdam