Valentijnsdag in Gaza

Verslag van een werkbezoek van het Kifaia team aan de Gazastrook, februari 2002.

Het werd weer tijd. In december stonden Joes Meens, de verpleeghuisarts van het Kifaia team en ik al geheel gepakt klaar om het vliegtuig te nemen naar Tel Aviv, toen we het bericht kregen dat de situatie te gespannen was om Gaza te bezoeken. Maar nu konden we gaan, Insha’allah. Op vrijdag 8 februari kwamen we aan in onze vaste flat in Gazastad, Joes Meens, de verpleeghuisarts, Eelco Boom, verpleeghuismanager, Ruud van der Ven, verpleegkundige en ik, Anja Meulenbelt, de coördinator van Stichting Kifaia. Later voegde zich Jan Andreae, coach, trainer en psycholoog bij ons.

Zaterdag 9 februari 2002

Het zou vandaag voor de Gazanen een rustige dag moeten zijn, want op zaterdag is het sabbat, dan reizen de kolonisten niet op en neer tussen de nederzettingen en Israël. Dus worden in principe de wegen in Gaza niet afgezet met tanks en zijn er minder soldaten op de been, en kunnen de inwoners van de Gazastrook makkelijker door de checkpoints heen tussen Gazastad en Jabalya in het noorden, de ‘middle camps’ in het midden, en Khan Yunis en Rafah in het zuiden. Maar wat er vandaag aan de hand is weet niemand, het team van het Gaza Home Care Program uit het zuiden heeft er lang over gedaan om in Gazastad te arriveren, de auto’s werden maar mondjesmaat doorgelaten, elk kwartier een paar. Er lijkt geen reden voor te zijn, gewoon pesterij. Dit is de eerste dag dat we, het Kifaia team, weer met ons werk beginnen, een training voor de staf van het GHCP. We begroeten elkaar, oude bekenden, nieuwe gezichten, en horen het nieuws. Leuk nieuws: Bushra, een secretaresse die we allang kennen, met een poliobeen, gaat trouwen met Muhammad, die gehandicapt is geraakt in de nieuwe intifada en nu met een dwarslaesie in een rolstoel zit. Een vrolijke, vitale jonge man die een goede invloed heeft op de jongens die nog zo vreselijk moeten wennen aan hun nieuwe status als invalide en die niet makkelijk uit hun depressies te schudden zijn, hij pept ze op, en roept tegen ons: als ze allemaal zo waren als ik dan hadden jullie geen psycholoog nodig. Daar heeft hij gelijk in. Maar zijn aanstaande huwelijk is aanleiding voor een andere vraag aan ons team: wat voor adviezen hebben we voor het huwelijksleven van dwarslaesie patiënten, voor de seks, en voor het kinderen krijgen: wat is er mogelijk, en hoe licht je hem en zijn bruid voor? En dan het slechte nieuws: Kassim, de chauffeur uit Rafah vertelt me dat zijn vrouw in haar buik is geschoten. Het is de eerste maar niet de laatste keer dat me spontaan de tranen in de ogen schieten.

De laatste keer dat we er waren, in oktober, nam Kassim ons mee naar zijn bescheiden huisje in Rafah, pal tegen de grens met Egypte. We zagen de brede platgewalste strook zand en puin tussen de betonnen muur van de grens, met de wachttorens en de Israëlische vlag, en de vluchtelingenhuisjes. Wat verderop het puin en de rotzooi van de huizen die door tanks en bulldozers met de grond gelijk waren gemaakt. We maakten kennis met Kassim’s vrouw, een goedlachse vrouw in een prachtige gele jurk, en hun kinderen, en de vrouw van zijn broer, en hun kinderen die met elkaar een piepklein maar liefdevol met schilderingen en kunstbloemen versierd huisje bewoonden. Buiten op het kleine erf heel optimistisch een paar nieuw geplante boompjes. Kassim legt me het probleem uit: op elk moment kunnen de tanks tevoorschijn komen en schieten op alles wat zich beweegt in de lege strook tussen grens en huizenrij. En ’s nachts kunnen de bulldozers komen die zonder waarschuwing vooraf beginnen met het omverduwen van muren, zodat de bewoners nog net de tijd hebben om hun kinderen mee te slepen voordat die onder het puin terecht zouden komen, maar geen tijd om nog huisraad te redden. Zijn kinderen zijn permanent bang. En dit is het dilemma: hij kan wel tijdelijk intrekken bij familie die ook al in overvolle vluchtelingenhuisjes leeft, maar dan zijn ze hun huis, hun enige bezit kwijt. Maar als ze blijven zijn de kinderen ’s nachts bang, slapen slecht, en plassen in bed. Nog een onderwerp dat ze op de lijst hebben gezet voor ons team: weten wij medicijnen tegen bedplassen?

Toen ik in Nederland op het journaal hoorde van weer een nieuwe inval in Rafah waarbij een rij vluchtelingenhuisjes werden verwoest belde ik Fatma, de directeur van het NCCR en het dovenschooltje. Ze stelde me gerust, het huis van Kassims familie stond nog, de vernielingen waren een stuk verderop. Maar nu hoor ik wat er een paar weken daarna gebeurde. Kassims vrouw zat op het binnenplaatsje brood te bakken in het oventje toen ze werd beschoten. Een kogel in haar arm, een in haar buik. Er was geen enkele aanleiding voor. Kennelijk had een van de soldaten zich op de wachttorens zitten vervelen. Te achterhalen valt het nooit. De kinderen hoorden haar schreeuwen, en zagen het bloed. Ze werd naar het ziekenhuis gebracht en geopereerd, en overleefde het. Maar anderhalve maand later werd het kind dat ze droeg dood geboren. Kassim haalt zijn schouders op in het gebaar dat ik zo vaak zal zien in Gaza, tussen berusting, machteloosheid en ingehouden woede in: ‘what can we do?’.

We zetten de stoelen in een kring. Iedereen die nieuw is stelt zich voor, vertelt wat ze doen, en wat ze hebben gedaan met de vorige training. Ratiba, Kanaria, Souher, Nasreen, Ilham, Hamed, Adnan, Imtithal, Jehya, Machmoud, Fatma, Muhammad, nog een Muhammad, Hussein, Wa’el, Kassim, Yussuf, Nasser, Leal de secretaresse, Machmoud de nieuwe koffiejongen, en Ramadan onze tolk. Khaled Abu Zaid, de directeur van het geheel is ook aanwezig. Ze vertellen over hun nieuwe activiteiten, de dependance in Khan Yunis die pas is geopend en nu al goed functioneert, de bijeenkomsten met de gehandicapten en hun families, hun bezoek aan het Ministerie van Gezondheid, begeleid door 300 gehandicapten, om hun noden en eisen voor te leggen, het nieuwe vrouwenproject, de aandacht die ze kregen van de televisie. Vijfentachtig vaste klanten hebben ze in hun programma opgenomen, voornamelijk jongens met dwarsleasies en hersenbeschadigingen die thuis zorg nodig hebben, naast de ‘follow-up’ klanten met amputaties die zich met fysiotherapie en af en toe wat medische zorg in het inloopspreekuur redden kunnen, en nog wat ‘gewone’ gehandicapten die ze mee nemen in het programma, veel kinderen met genetische afwijkingen.

’s Middags gaan we op ons eerste huisbezoek. Hussein, 17 jaar. We kennen hem al. Hussein is tijdens een van de botsingen tussen jongens en het Israëlische leger in zijn nek geschoten en ligt nu verlamd thuis op het ziekenhuisbed dat hij heeft gekregen. Hij kan weer een klein beetje op zijn benen staan, dankzij de fysiotherapie. Maar hij heeft nog steeds doorligwonden die niet overgaan. En dat heeft te maken met zijn depressie, hij wil niet eten. Lamlendig en bleek ligt hij op zijn bed. Met zijn rolstoel zou hij naar buiten kunnen, maar hij wil niet. Zijn moeder zegt dat ze het moeilijk met hem heeft. Hij is vaak boos, hij wil niemand zien, wat ze ook voor hem kookt, hij eet nauwelijks. Nasreen, de jonge vrouw die de psychologe is legt ons uit dat hij zijn nieuwe situatie niet kan accepteren. Hij wil niet praten, maar ze denkt dat hij zich schuldig voelt. Hij is de enige jongen in de familie, met acht zusters. Zijn vader is werkeloos. Hij was de enige kostwinner. Zijn vader heeft nog geprobeerd om hem tegen te houden nadat hij al een keer in zijn hand was geschoten maar hij luisterde niet. En nu is hij een last voor zijn familie, nutteloos, doelloos. Joes, onze arts, onderzoekt hem samen met de Palestijnse artsen. Ze ontdekken dat zijn heup uit de kom is, waarschijnlijk is hij een keer uit het bed gevallen. Maar dat is niet het grootste probleem. Nu is hij nog redelijk gezond, op zijn verlamming na. Maar als hij niet gemotiveerd kan raken om in leven te blijven kan hij bij de eerste de beste onvermijdelijke infectie overlijden. Het wordt een punt op de agenda: wat doet het team met jongens die niet te motiveren zijn, wat kun je er mee? En op welk moment moet je toegeven
dat je niet iedereen redden kunt?

Een tweede bezoek. Ook Shadi kennen we al, in zijn rolstoel. Met hem gaat het stukken beter. Hij is weer vrolijk, geniet van de aandacht, is trots op zijn kamertje met zijn eigen WC dat hem is geschonken door een liefdadigheidsinstelling, en laat zien dat hij alweer een paar wankele stapjes kan maken met een driepoots stok naar de WC.

In het begin voelde ik me bezwaard, als we met de hele bus Palestijnen en Nederlanders, allemaal in het witte jackje van het GHCP een vluchtelingenkamp inreden om een gehandicapt kind te bezoeken. Maar de familie vindt het een eer, leent stoelen bij de buren, gaat een fles cola halen, en buiten worden we meteen omringd door opgewonden kinderen die allemaal op de foto willen. Ze hebben hier niets te doen, kunnen maar een paar uur per dag naar school, speelplaatsen zijn er niet. Een paar vrolijke buitenlanders, en het is meteen feest.

Die avond staan we op het balkon van onze flat op de zevende verdieping te kijken naar de bombardementen. Eerst hoor je de gevechtsvliegtuigen, dan de helikopters. In Gaza altijd een onheilspellend geluid. Als we even niets meer horen is het menens, de helikopters gaan in de ‘sluimerstand’ als ze gaan schieten. Een vuurkogel langs de donkere hemel. Dan de inslag in de verte, een lichtflits en even later de doffe dreun. En nog een. En nog een. Dat moet in Jabalya zijn, of in Beit Lahia in het noorden. En een half uur later horen we de eerste ambulances onder onze flat loeien, onderweg tussen het noorden en Shifa ziekenhuis. Op CNN weten ze ons nog niet te vertellen wat er aan de hand is. We zullen het morgen horen als we zoals elke dag eerst ‘de situatie’ bespreken. Doden, gewonden, huizen kapot, welk politiebureau of fabriek nu weer met de grond gelijk gemaakt. We zijn weer helemaal thuis, en zijn blij dat we een stevige voorraad whisky hebben ingeslagen voor in de cola, want zelfs bier is niet meer te krijgen, ook niet op de geheime adresjes van christelijke families die wat bijverdienen met de illegale verkoop van drank. In de straat beneden ons zijn ze helemaal gelukkig dat ze wat kebab voor ons klaar kunnen maken, met humus, en sla. De eettentjes zijn leeg. Veel buitenlanders zijn er niet meer in de Gazastrook, en weinig Gazanen kunnen het zich nog veroorloven om uit eten te gaan.

Zondag 10 februari

Joes en Ruud geven college aan het team, over de systematiek van behandelplannen, hoe beschrijf je doelen, hoe stel je prioriteiten, hoe verdeel je de verantwoordelijkheid, terwijl Eelco en ik met Khaled en Fatma achter de computer zitten. Eelco heeft een programma geschreven waarmee ze een begroting westerse stijl kunnen maken, en nu werken we aan de kostenposten, de salarissen en andere uitgaven en inkomsten. Gelukkig is Khaled enthousiast over de opzet, en kan ik straks bij het fondsenwerven eindelijk een goed financieel overzicht laten zien. Hun werk met de gehandicapte jongens doen ze fantastisch, maar boekhouden westerse stijl is niet hun sterkste punt. Een begroting maken voor de nabije toekomst ook niet. Wij begrijpen dat wel, het is hier voortdurend crisismanagement, nooit weet je wat je nu weer te wachten staat. Zo is het nu een discussiepunt of de door het ministerie beloofde salarissen wel op de begroting moeten: ze zijn toegezegd, maar worden niet uitbetaald. Iedereen die van een overheidssalaris afhankelijk is heeft al maandenlang niets gehad. Ik neem met Khaled de papieren door van het Liliane Fonds, en de papieren die ik van Kinderpostzegels heb meegekregen. Ze waren al per post gestuurd, maar gewone post komt zelden aan. Kinderpostzegels heeft een busje toegezegd, hoognodig, want voor de huisbezoeken leent het team nu het busje van de dovenschool, maar die moet weer op tijd terug zijn om de kinderen op te halen. En dat betekent dat het moeilijk is om huisbezoeken te doen in de gebieden waar ze het risico lopen dat de wegen weer worden afgesloten en ze te laat terug zijn, want dan kunnen de kinderen niet naar huis. En nu is het probleem weer dat de handtekening voor het busje gezet moet worden door de vertegenwoordiging van een rechtsgeldige organisatie, en dat het Ministerie net een stop heeft afgekondigd op het rechtsgeldig verklaren van nieuwe NGO’s. Het zijn soms onwaarschijnlijke problemen waar je mee te maken krijgt in dit werk.

Buiten klinkt het bekende deuntje van de waterhandelaar: ik zal voor altijd für Elise associëren met Gaza. En jingle bells, van de gasflessenverkoper. Als ik naar de WC loop trekt Joes me aan mijn mouw. Help even, we hebben het over seks, en iedereen wil wat anders of helemaal niets. Ik hou even een korte inleiding over hoe ik vroeger seksuele voorlichting gaf en wat we zouden kunnen gaan doen: misschien, als ze dat willen, in een aparte mannen- en vrouwengroep. Als Jan er is, die over een paar dagen komt. Ze zullen nadenken over hun wensen en vragen. Dan melden zich opeens de vader, moeder en tante van Hussein, die buiten in een taxi zit. Klein misverstand. Joes heeft gesuggereerd dat er röntgenfoto’s van zijn heup gemaakt zouden moeten worden, en de familie dacht dat dat op het centrum kon.

’s Middags rijden we even langs het huis van Ala’a, ons succesnummer. Die jongen was op sterven na dood, alles was er mis met hem, chronische longinfectie, diepe doorligwonden, schimmelinfectie waardoor hij niet at, resistent tegen antibiotica. Maar met de multidisciplinaire aanpak van het team is hij gered, de eerste keer dat het team en de ouders konden zien dat het werkt. Ala’a zit in zijn rolstoel tussen de familieleden die het huis verbouwen. Ze eten vis. Ala’as vader, een grote, hartelijke man die van huis uit visser is heeft een vangstje kunnen doen. Ala’a geeft ons verlegen stralend een hand. Hij is aan het proberen een snorretje te laten groeien.

Yassir is 17, een jaar geleden is hij neergeschoten. Ruggenmergbeschadiging. Waarom hij met stenen gooide? ‘Omdat de Israëli’s ons vermoorden’. Hij ligt op bed, in een duistere kamer. Zijn benen zijn heel dun. Zijn moeder klaagt over zijn incontinentie. Zij is het die hem moet verschonen. Het komt met de zorg van deze gehandicapten vaak neer op poep- en piesverhalen, op wat voor soort katheters, wat voor soort pampers, hoe om te gaan met laxeermiddelen. Op het binnenplaatsje is een moderne WC gebouwd. Een geschenk van een Amerikaanse liefdadigheidsorganisatie. Hoe ironisch: eerst betalen de Amerikanen de kogels waarmee zo’n joch wordt neergeschoten, en dan de aangepaste WC als hij voor de rest van zijn leven verlamd is.

Als we terugkomen op het centrum horen we dat het zuid team niet naar huis kan. De wegen zijn weer hermetisch afgesloten. De mannen gaan bij fysiotherapeut Jehya logeren, de vrouwen bij verpleegster Ratiba. Ze zijn gewend te improviseren, maar vinden het erg vervelend om niet bij hun families te kunnen zijn. Het ziet er naar uit dat we het programma voor morgen om moeten gaan zetten, want we zouden Khan Younis bezoeken en daar de training voortzetten en een paar huisbezoeken doen. Ook wij leren geduld en flexibiliteit.

Ik ga even buurten in het nieuwe vrouwenproject, in een van de kamers van het centrum, waar vrouwen in witte stofjassen tegels en glas zitten te beschilderen. Het is het bescheiden begin van een nieuwe afdeling van het centrum, waar gehandicapte en niet-gehandicapte vrouwen samen een beetje kunnen verdienen met het maken van mooie spullen, wandtegeltjes en tafeltjes met traditionele Palestijnse motieven. De kleinste vrouw, die maar tot even boven mijn middel komt maar altijd vrolijk is maakt een grap: hebben we medicijnen meegenomen waar ze van kan groeien?

In een kleine kring doet het team dat vandaag de huisbezoeken heeft gedaan de case bespreking, dr. Machmoud zit voor. De multidisciplinaire aanpak kost in het begin tijd, het is nog geen gewoonte om gezamenlijk een goed behandelplan te maken en dat regelmatig bij te stellen en te evalueren, maar het begint te werken. Als we na afloop met Ramadan en Fatma in het kiprestaurant gaan eten horen we een doffe dreun, horen die niet alleen maar voe
len hem ook. Ik voel de luchtdruk tegen mijn benen. Dit kan alleen een inslag van een raket zijn, uit de lucht, of vanuit de zee afgeschoten. Een paar mensen staat op om buiten te gaan kijken, maar de meesten laten hun voedsel niet koud worden en blijven rustig dooreten. De eerste keer dat ze bombardeerden was iedereen in paniek, zegt Fatma. Iedereen rende of reed als een gek naar huis, de meeste gewonden kregen we door de auto ongelukken. Maar nu blijft iedereen gewoon zitten, zolang het maar niet te dicht bij komt. Of pakt een mobieltje. Ramadan heeft iemand gebeld. Die voltreffer was op de compound van Arafat, maar ook het dichtbijliggende gebouw van de VN is beschadigd, en er zijn wat gewonden onder de VN mensen. Niet gek, dan is er tenminste een kans dat CNN zich er voor interesseert. We lopen naar onze flat door de winkelstraten. Eelco wil sportshirtjes kopen voor zijn zoontjes. Hij vindt er een van Arsenal, en een Palestijnse, Jonathan zal helemaal gelukkig zijn. Veel winkels zijn gesloten, anderen houden vol ook als ze bijna geen klanten krijgen. Er is maar één handel die het prima doet: de winkels waar je mobiele telefoontjes kunt kopen. Dan kun je horen hoe het met je familie is als je weer eens niet naar huis kunt, je kunt horen welke wegen weer zijn afgesloten, waar de vernietigingen plaats vinden en waar de raketaanvallen terecht zijn gekomen. Niemand wil meer trouwen met een man die geen mobieltje heeft, zegt Ramadan.

Maandag 11 februari

Dankzij het feit dat ze in Gazastad moesten blijven is het hele zuidteam nu bij de training aanwezig, want alle wegen zijn nog afgesloten. Kassim heeft met zijn familie in Rafah gebeld, daar is vannacht niets gebeurd. De mannen hebben het wel naar hun zin gehad, ze hebben er het beste van gemaakt, hebben zitten kaarten en roken. Nu kijken ze een beetje slaperig. Eelco houdt een inleiding over de verzorging van doorligwonden. Het team hoopt altijd op nog betere methoden, geavanceerde spullen, er is hier een groot geloof in dure medicijnen en technologie. Maar de beste spullen zijn nog steeds mineraalwater, gewoon gaas en simpele vaseline. En weten wat je doet. Een deel van de dure spullen die door een Duitse groep naar Gaza zijn gestuurd zijn in feite overbodig, al zien ze er mooi uit in hun verpakkingen. En alle andere vindingrijke methoden zoals honing, zeewater en koffiedik maken de zaak alleen maar erger. De nadruk moet meer komen te liggen op preventie. Goed afgestelde rolstoelen. Matrassen die dik genoeg zijn, dus twee of drie op elkaar als ze niets anders hebben dan de gewone dunnen schuimrubber matrasjes die ’s nachts op de betonnen grond worden gelegd om op te slapen. Eelco kijkt naar de pleister die ze gebruiken. Niet goed. Dan besteedt je zoveel zorg aan het heel krijgen van de huid en trek je die met een verkeerde pleister weer stuk. Is er niet wat beters? Dat is er wel, maar het is op. Ik haal wat shekels van Kifaia uit mijn tas en iemand gaat een flinke voorraad betere pleisters kopen. Ondertussen hebben we de straaljagers weer over horen vliegen, heen, en weer terug. Heen, en weer terug. Onheilspellend.

Khaled roept me. In zijn kamer zit Kifaia op een stoel te huilen. Ik had haar al een tijd niet gezien. Ze is de vrouw zonder handen die het vrouwenproject leidt op de Society, de organisatie die is overgenomen door een andere directeur met wie we niet meer kunnen werken. Kifaia wil graag bij het Gaza Home Care Program werken in het nieuwe vrouwenproject, want ze voelt zich niet meer thuis op de Society, maar Khaled heeft steeds nee gezegd omdat hij vindt dat ze de gehandicapte meiden die borduren en lampen beschilderen niet in de steek mag laten. Wat ik vind? Ik vind dat Kifaia het lang genoeg geprobeerd heeft, en dat zij ook recht heeft op een betere plek. En we kunnen vermoeden dat de meiden zelf wel zullen beslissen of ze zonder Kifaia bij de Society willen blijven of niet. Kifaia mag komen, en gaat meteen aan het werk.
Boem. De eerste. Nog eens boem. Tamelijk dichtbij. Dat zal weer de President’s Office zijn. We nemen pauze, en gaan op het binnenplaatsje staan kijken. Een helikopter als een vlieg in de lucht, en nog een. Boem. Zwijgend staan we met het hele team te kijken. En gaan dan maar weer naar binnen, aan het werk.

Khaled hoort op zijn mobiel dat Jabalya ook wordt gebombardeerd. Dus kunnen we daar vanmiddag niet heen voor de huisbezoeken. Machmoud, de koffiejongen, komt met de bladen met de kleine kopjes sterke Arabische koffie. Hij let erg op ons, brengt asbakken, hier wordt er nog lustig door vergaderingen heen gepaft, sjouwt met stoelen. Een jongen uit een kamp, vader werkloos, hij moest op zijn achtste of negende van school af om te gaan werken. Nu krijgt hij een kans om er wat van te maken. Toegewijd doet hij zijn taak. Als hij even niets te doen heeft zie ik hem aan een puntje van een bureau zitten schrijven in een schrift, lettertje voor lettertje. Iemand van het team helpt hem.

Het gesprek in de training gaat over emoties, en over stervensbegeleiding. Hier is het niet gebruikelijk om je neer te leggen dat iemand sterft, tot op het allerlaatst slepen ze iemand nog naar een ziekenhuis, vragen nog om een operatie. Wat moet je doen met je eigen gevoelens, als je iemand niet kan redden, wat doe je met een jongen die het zelf opgeeft, wat doe je met de woede van de ouders die vinden dat jij je werk niet goed doet, wat doe je met je eigen gevoelens van machteloosheid? Daar praten we niet over, zegt Nasreen, de psychologe. Alleen toen Jan hier was praatten we met elkaar over wat we voelen.
Wie niet voor zichzelf kan zorgen kan ook niet voor een ander zorgen zegt Eelco. Emoties hebben is geen zwakte, we hebben ze allemaal, het is menselijk. Ramadan vertelt wat hij van ons geleerd heeft. Dat hij zijn angst verdringt als hij over de sluipweg over het strand loopt om naar zijn werk te komen, en dat hij er niet aan wil denken dat ze op hem kunnen schieten. Hij heeft geleerd dat dat een overlevingsmechanisme is. En dat hij extra op moet passen, juist omdat hij geleerd heeft zijn angst te verdringen en niet meer te voelen.

De elektriciteit valt weer eens uit. In het halfdonker gaan we gewoon door. Fatma is even weggegaan, met het busje, om haar kinderen van school te halen die nu bang zullen zijn vanwege de bombardementen. Ze brengt ze naar het dovenschooltje, dat in een souterrain is gehuisvest, waar het veiliger is dan bij haar thuis. Haar huisje ligt vlak bij een politiebureau dat al een keer gebombardeerd is. Alle ruiten van haar huis aan diggelen, de jongste dochter kon van de angst uren niet spreken. Als ze terugkomt is ze tevreden, ze heeft haar kinderen onder de hoede van haar jongste zusje achtergelaten met zakken chips en koekjes.
Twee jongens in rolstoelen zitten verveeld te luisteren. Ze komen uit Rafah, en willen naar huis, maar kunnen niet. Ze zijn nu al twee dagen niet meer uit te kleren geweest.

Zittend in de bus zien we buiten rook achter een schutting vandaan komen, een massa mensen op straat die zijn komen kijken. Dit is een van de grote klappen die we vanochtend hoorden, ze hebben een gevangenis gebombardeerd. Er zijn geen gewonden, de gevangenis was leeg. Zo’n tweehonderd meter van onze flat vandaan. De politie maant ons dat we door moeten rijden.

Ons huisbezoek brengt ons naar de rand van Jabalya. Zanderige wegen, modderig door de regen. Hier moet ergens een meisje wonen waar het slecht mee gaat. Het team heeft haar nog niet eerder gezien, dit wordt het eerste bezoek. Formele adressen en huisnummers bestaan hier niet. Dus is het vragen en nog eens vragen. Als we stoppen voor het huis waar het moet zijn en Nasreen op de deur klopt horen we gejammer. De deur gaat open. Een huilende moeder schreeuwt dat haar dochter net is overleden, net, terwijl we voor haar deur stopten. Ik ga met Nasreen en Souher mee naar binnen. Op de grond op een matrasje ligt een dood kind, een geel uitgemergeld vogelkopje, ogen en mond open. De jammerende moeder slaat de dekens terug. Ik weet niet wat ik zie. Een skelet nog net een beetje bij elkaar gehouden door wat
huid, diepe wonden waar het bot doorheen steekt, hier en daar wat plukken watten. Een vieze luier. Ik hoor dat ze twee en twintig is. Ze heeft schaamhaar. Ik zou haar aangezien hebben voor een jaar of zeven. Meer dan 15 kilo kan ze niet wegen. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?
Ik ga naar de moeder die nog steeds schreeuwt en huilt, en sla een arm om haar schouders. Ik denk dat ik afscheid moet nemen, Nasreen en Suher zijn al naar buiten gelopen. We kunnen hier niets meer doen. Maar de moeder trekt me mee naar een hoek waar in een wandelwagentje nog een gehandicapt kind zit. Ze laat me zijn voetjes zien. Helemaal blauw. En in een andere hoek zit nog een gehandicapt kind. In een kistje zie ik nog een baby met een klein geel gezichtje, ook al niet helemaal tof. Ik loop naar buiten en zeg tegen Joes en de artsen dat ze mee moeten komen. Joes bekijkt het lijkje, en vloekt. En dan het kind met de blauwe voetjes. Daar is niets mis mee behalve dat die zwaar onderkoeld is, en in plaats van een luier een pastic zak om zijn billen heeft. Deze moeder heeft geen idee hoe ze een gehandicapt kind moet verzorgen. Buiten staan de mannen van het team te roken en grappen te maken. Nasreen zit in de auto te huilen. Ook Joes heeft het even helemaal te kwaad, en zit verslagen met zijn hoofd in zijn handen.

Zwijgend rijden we verder. Ik hou Nasreens hand vast, en zeg dat we er later over zullen praten. Als tegenwicht komen we bij een heel ander geval. Als we binnen komen blijkt de jongen waar het om gaat met zijn rolstoel verdwenen. Ze hebben een uur op ons gewacht, maar toen we niet kwamen gedacht dat we vanwege de bombardementen wel niet zouden komen. De jongen waar het om gaat is met een open rug geboren. Hij is geopereerd, kan wel een beetje lopen op kromme voeten. Wat er met hem is? Hij wil zich niet laten helpen door zijn moeder en nu heeft hij doorligwonden op zijn billen. En hij klaagt zielig over zijn pijnlijke armen en dat hij een elektrische rolstoel wil. Er is niets met zijn armen. En hij krijgt geen elektrische rolstoel, die zijn er alleen voor gehandicapten die hun armen niet kunnen gebruiken. Een verwende aap. We komen er wel meer tegen, jongens die gewend zijn om als prinsjes behandeld te worden en die hun handicap uitbuiten en hun moeders terroriseren. Dit zijn wel twee uitersten op één dag. Het beeld van dat dode meisje krijg ik voorlopig niet van mijn netvlies af.

Khaled is kwaad als hij hoort dat het meisje is overleden. Sausan Balusha heette ze. De arts van het team die er van wist moet opbiechten dat de zuster van de moeder al een week geleden langs is geweest. Waarom zijn ze er niet eerder heen gegaan? Geen tijd, zegt de arts. We hebben hier geen wachtlijsten, zegt Khaled. Binnen 24 uur als er een klacht binnenkomt hoort er iemand langs te gaan om te kijken hoe ernstig het is. We proberen een beetje te bemiddelen. Zeggen Khaled dat het meisje ook een week geleden niet meer te redden was geweest. Maar daar gaat het hem niet om. Het gaat om het principe. Je laat mensen in nood niet wachten. We spreken af het er in de volgende teambespreking uitgebreid over te hebben. Over de regels die gehanteerd worden. Over de vraag hoe je van fouten kunt leren. Maar vooral ook over hoe iedereen om gaat met gevoelens van machteloosheid. Nasreen gaat huilen. Hussein gaat grappen maken en ontkent elk gevoel. Khaled wordt boos en wil de schuldige ter verantwoording roepen en bestraffen.

Er slaat een deur dicht door de wind. Iedereen schrikt even van de klap om dan opgelucht te lachen. Geen bom. Khaled heeft geprobeerd een ambulance te bellen om de jongens die nog verveelder dan gisteren in hun rolstoelen hangen terug te brengen naar Rafah. Maar de ambulance wil niet. Er wordt op ons geschoten als we door de checkpoints rijden, zeggen ze. En gehandicapt is toch nog beter dan dood, toch?

Het zuidteam moet weer een nacht in Gazastad blijven. ’s Avonds op CNN zien we de explosie die de bom op de gevangenis veroorzaakte. Het was als vergelding bedoeld voor twee Israëlische soldaten die in Beersheba door Palestijnen zijn gedood. De logica ontgaat de Gazanen, die mogen niet eens naar Beersheba. Maar in logica gelooft al niemand meer. In het Turkse restaurantje om de hoek doen ze het licht voor ons aan en zetten de muziek aan. We zijn de enigen. We hebben al een aardig rijtje lege whisky flessen in de keuken staan, maar de voorraad is nog niet op. Het is die nacht vreemd rustig. Ik word wakker omdat het zo stil is, geen helikopters, geen F 16’s, geen loeiende ambulances in de straat beneden.

Dinsdag 12 februari

De bombardementen van gisteren waren op Jabalya, op een fabriekje in het vluchtelingenkamp. De nabije kleuterschool is ook geraakt. Ratiba heeft koekjes gebakken. We kunnen niet naar Khan Yunis, en blijven dus in Gaza. Vorige keer dat we Gaza bezochten waren de wegen open, en konden we in Khan Yunis en Rafah de voortgaande vernielingen zien. Het door bulldozers verwoeste bouwland, de ontwortelde olijfbomen, het puin, de tenten waar de mensen in wonen die hun huis kwijt zijn. Meter voor meter wordt de Gazastrook onbewoonbaar gemaakt door het Israëlische leger. Hele stukken lijken meer op een maanlandschap. Het is er soms vreemd stil, de vogels trekken weg. Ramadan en de twee teamleden die in Bureije kamp wonen kunnen niet komen, want ook de sluipweg over het strand is vanochtend met tanks afgesloten. Die ochtend praten we over het dode meisje, en wat het team er van kan leren. Khaled is nog steeds boos. We werken hier met mensen, niet machines, zegt hij. We laten niemand die in nood is wachten. Het team is stil en bedrukt. Ook al weten ze dat ze haar niet hadden kunnen redden. Wat hadden ze kunnen doen? Ook als God wilde dat ze die dag zou sterven, ze hadden in ieder geval iets aan de pijn kunnen doen. Joes vraagt aan Khaled hoe hij zich voelt. Het gaat niet over emoties, zegt Khaled. We zien elke dag doden. Maar we hebben onze plicht niet gedaan. Iedereen mag fouten maken. Maar wie dezelfde fouten herhaalt wordt bestraft.

We gaan op huisbezoek. Het eerste patiëntje is een ‘gewone’ gehandicapte, niet een intifada slachtoffer, Muhammad Subhi, een jongen van 14 waarvan het team zegt dat hij multiple sclerose heeft in zijn hoofd. Joes schudt van nee. Dat klinkt onwaarschijnlijk. We gaan kijken. De jongen ligt op bed, hij heeft kleur, een glanzende huid, is niet mager. Is schoon, heeft geen doorligwonden. En daar is alles mee gezegd. Hij is blind, doof, verlamd op zijn handen na, en reageert nergens meer op, behalve op eten. Zijn vader weet wel dat het hopeloos is. Maar zijn grote angst is om zijn beide andere zoontjes. Krijgen die het ook? Dit kind was eens heel normaal. Het begon er mee dat hij zo raar deed met zijn vingers, toen begon hij zomaar te schreeuwen. Daarna werd hij vergeetachtig, slap en moe. Hij kreeg moeilijkheden met zijn ogen. En zie hoe het eindigde. En nu begint een van zijn zoontjes ook al raar te doen met zijn vingers. De familie heeft alles gedaan wat ze kunnen. Een beroemde Israëlische professor heeft zich al over dit interessante geval gebogen, er ligt een rapport: een zeldzame stofwisselingsziekte die de hersens aantast. Dus géén multiple sclerose. Joes belooft met het team na te gaan wat de prognose is voor de andere jongetjes. Maar eigenlijk weten ze dat al. Niet best. Dit is een terugkerende vraag voor het team: zijn de ouders er mee geholpen om te weten dat ze alledrie hun zoontjes aan deze ziekte zullen verliezen?

De chauffeur belt met Khaled of het goed is dat we naar Beit Hanoun gaan. Het is er op dit moment veilig genoeg. Het is vlak bij de grens met Israël, het is hier niet zo dicht bevolkt, bijna landelijk. We vinden de man die regelmatig bezocht wordt door het team in zijn tuintje tussen de sinaasappelbomen. Zijn benen zijn geamputeerd. Vroeger was hij bouwvakker in Israël, maar met het uitbreken van de intifada verloor hij zijn baan.Toen hij hoorde dat er jongens uit het dorp bij de grenspost bij Erez neergeschoten waren reed hij erheen om de gewonden te helpen. Maar toen hij probeerde een jongen weg te dragen werd
en zijn beide benen aan flarden geschoten. Toen ze hem met een ambulance naar Jordanië wilden rijden werd hij twee keer uren bij de grenzen tegengehouden. Zeven operaties heeft hij er op zitten, maar zijn benen waren niet meer te redden. In Irak kreeg hij kunstbenen, die niet goed pasten. Daarna nieuwe, in Iran. Die zijn beter. Hij laat zien hoe hij er met stokken mee kan lopen, voetje voor voetje, zijn gezicht verkrampt van de inspanning. Hij klaagt niet, maar draagt zijn lot gelijkmoedig. Er zijn zoveel mensen neergeschoten en gestorven, en hij leeft nog, alhamdulillah. Maar hij vindt het wel prettig dat de mensen van het team af en toe bij hem langs komen om te zien hoe het met hem gaat, en een praatje met hem maken.

Als we terug zijn houd ik een inleiding over omgaan met emoties. Hoe we allemaal onze eigen overlevingsmechanismen hebben aangeleerd, en die soms van elkaar niet begrijpen. En over burnout, waar iedereen hier last van kan krijgen wanneer er geen balans is tussen een grote betrokkenheid en het gevoel dat je niet efficiënt genoeg bent, niet genoeg kunt doen. Ik vraag de mannen wanneer ze hun verdriet mogen tonen, wanneer ze mogen huilen. Alleen als er een geliefd persoon is gestorven. Ik vraag de vrouwen wanneer ze kwaad mogen worden. Tegen de bezetting mag je kwaad zijn. Als ze je kinderen wat doen. Ik vraag ze na te denken over de kosten en baten van hun persoonlijke overlevingsmechanismen, over het niet uiten van hun emoties. Als je ze voor je houdt hoef je je niet te schamen voor je zwakte. Maar op den duur gaan al die ingehouden emoties aan je vreten en barsten toch wel door de kieren. En dan ga je je afreageren op je omgeving. Je wordt bijvoorbeeld kwaad op je vrouw, of je kinderen gaan je irriteren. Een paar van de mannen lachen wat betrapt, ja, ruzie met je vrouw na een moeilijke dag, dat komt voor. En de vrouwen weten wel wat van de depressies waar je in terechtkomt als je alles inslikt. Dus? Hoe zou het zijn om in het eigen team wat meer van die gevoelens te delen? In deze groep waar niemand zich voor elkaar hoeft te schamen?

De jongen van vanochtend wordt besproken. Hoe komt het dat de arts een verkeerde diagnose heeft gesteld? Joes is een beetje ongeduldig. Hoe komt het dat niemand er aan heeft gedacht dat dit geen multiple sclerose kan zijn? Waarom zoeken jullie niet verder als je het niet weet, waarom zoeken jullie niet op het internet, waarom zoeken jullie geen contact met die Israëlische professor, e-mail met hem. De artsen zijn stil. Ondertussen gaat de telefoon voor mij. Conny Mus van RTL 4 die gehoord heeft dat we hier zitten, en morgen met een TV ploeg langs wil komen. Prima. We kunnen in Nederland wel een beetje aandacht gebruiken als ondersteuning bij het fondsenwerven. De discussie gaat verder over de vraag hoe lang je een leven rekt. Dat ligt hier moeilijk. Je mag niet voor God spelen. Maar toch moet je steeds beslissingen nemen, daar ontkom je niet aan. Wel behandelen, ook als het geen zin meer heeft, niet behandelen en accepteren dat je niet meer te bieden hebt dan liefdevolle zorg naar het einde toe.

Khaled heeft net het bericht binnen gekregen dat er Israëlische tanks binnen rijden bij Erez. Er is een benzinetankauto mee wat altijd betekent dat ze van plan zijn om langer te blijven, en lege bussen waar ze waarschijnlijk gevangenen mee terug willen nemen. Waarschijnlijk gaan ze Beit Hanoun en Beit Lahia herbezetten. Shit. En Jan moet ongeveer nu over de grens bij Erez komen. Ik bel hem op zijn mobieltje. Hij loopt net door niemandsland. Geen tank in zicht, nog niks aan de hand.

Ondertussen trekt Fatma me mee naar een kamertje en barst in tranen uit. Het verhaal over alle emoties die we binnen houden heeft haar aangedaan. Ze heeft moeilijkheden waar ze met niemand over praat, ze is tenslotte directeur, ze kan de teamleden toch niet in vertrouwen nemen over haar problemen. Ik beloof haar dat we een gesprek met haar zullen hebben als Jan er ook is. Het is ondertussen geen verrassing meer voor me: praktisch iedereen die ik hier langer ken heeft behalve alle problemen die veroorzaakt worden door de bezetting ook relatiemoeilijkheden. Hoeveel spanning kan een mens aan?
Jan komt aan met de taxi. Geen moeilijkheden gehad. Hij heeft een paar flessen wijn mee om de voorraad aan te vullen, en we praten hem bij, want morgen gaan Eelco en Ruud weer naar huis.

Woensdag 13 februari

Drie Palestijnse politiemannen zijn gedood bij een Israëlische inval in Deir el-Balah, een vluchtelingenkamp. Ramadan en de twee teamleden uit Bureije kamp zijn de blokkade doorgekomen en kunnen er vandaag weer bij zijn. Maar nu is Nasreen er niet, want die zit vast in Beit Hanoun waar ze woont. Die ochtend hebben om drie uur ’s ochtends de tanks Beit Hanoun omsingeld, en is het leger begonnen met huiszoekingen. Iedereen heeft huisarrest, wie de straat opgaat kan worden doodgeschoten. Dat is erg pech voor Nasreen, die zich uitgerekend had verheugd op de komst van haar collega Jan. Als psychologe, en als jonge vrouw, heeft ze het niet makkelijk tegenover een mannelijke meerderheid aan artsen die het liefst alles vertalen in technische mankementen en oplossingen, en niet zoveel geloven in dat softe gedoe met emoties. Hoewel ze langzamerhand ook wel beginnen te zien dat het een met het ander samenhangt. Eigenlijk waren we van plan deze dag te beginnen met het vraagstuk dwarslaesies en seks, waar bij Joes het medische en Jan het psychologische deel voor zijn rekening zou nemen, maar op een of andere manier lijkt het ons niet zo’n goed idee als de tv ploeg net binnen komt vallen- we zien al op RTL 4: wat doen jullie in Gaza? Praten over seks- en wij zijn er ook nog niet zo zeker van of het gaat lukken met dit gesprek. We beginnen met een evaluatie, nu Eelco en Ruud weggaan, over hoe het gaat, wat voor wensen er nog zijn blijven liggen, of ze al weten wat ze in de toekomst van ons willen. Jahia, de fysiotherapeut vindt het hoog tijd dat er meer aandacht wordt besteedt aan zijn vak, het lijkt wel of alleen de artsen en psychologen hun zin krijgen. We willen wel een goede fysiotherapeut meenemen, maar, moeten we uitleggen, we krijgen niet iedereen zomaar mee naar Gaza. Tenslotte moeten ook wij soms pittige discussies voeren met onze respectievelijke achterbannen en collega’s thuis waarom we zo achterlijk zijn om naar een land te gaan waar je je voor de kogels moet bukken. Ondertussen valt de elektriciteit weer eens uit. Halverwege de evaluatie weer telefoon, de ploeg van RTL 4 wordt vanwege de herbezetting in het noorden niet over de grens gelaten, het gaat niet door. Jammer. Het had juist nu een mooie uitzending kunnen worden, er gebeurt genoeg. De artsen willen graag met Joes nog een paar medische problemen doornemen die niet voor iedereen interessant zijn. Doen we morgen. Bedplassen moet nog, door de artsen deftig ‘nocturnal incontinence of urine’ genoemd. Meer over voeding. Veel van het succes van de zorg hangt af van de vraag of de jongens een redelijke lichamelijke conditie weten te handhaven. Als ze ondervoed zijn komen ze soms de eerste de beste infectie niet door. Meer over samenwerking in het team. Meer over ruggengraatbeschadigingen, en hersenbeschadigingen, en de prognoses van verschillende soorten handicaps. En ze willen nog eens praten over de voorlichting die ze aan de ouders moeten geven. Ik ben tevreden over een paar opmerkingen die ik terug hoor, over het uiten van emoties en vermijden van burnout, juist van de mannen waarvan ik vreesde dat ze het allemaal maar onzin vinden. Eelco uit wat ongenoegen over teamleden die volgens hem te veel passief achteruit zitten. Ratiba schiet een beetje in de verdediging, dat komt door de situatie, door de bombardementen. Joes is wat kort door de bocht: we willen meer van jullie terughoren, meer activiteit. Toch komt er een lijst met onderwerpen op het bord. Khaled stelt voor om voor het hele team een cursus internetten en Engels te betalen, als ze dat er in hun vrijetijd bij willen doen.

Ruud en Eelco vertrekken naar Erez. Khaled heeft gebeld: niemand wordt binnengelaten in Erez, ook geen buitenla
ndse diplomaten en pers, maar je kunt er wel uit, zeggen ze.

Dan is het weer tijd voor een huisbezoek. Thareef, 18 jaar, gewond op 19 november, aan het begin van de intifada. Klachten: incontinentie, te dik. Als we bij zijn huis komen zien we meteen van wie hij dat laatste heeft. Een vrolijke tonronde moeder. Thareef is op zijn krukken naar de moskee, dat is meteen zijn dagelijkse oefening. Onder het oorverdovende Allahu Akbar, het huis is vlak onder de minaret vertelt de moeder hoe het ging: zij was net bij een zuster om mee te helpen aan de voorbereidingen van een bruiloft toen ze werd gebeld. Thareef die op die dag zijn schoolgeld mee had moeten nemen had de Koran in zijn broekzak gestopt, had met het schoolgeld een taxi genomen naar al Montar, een kolonistenkruispunt, en was daar neergeschoten. Kogel door zijn long, blijven steken in zijn ruggenmerg. Operatie in Jordanië, anderhalve maand in Iran voor revalidatie. Thareef komt binnen. Inderdaad, een wat pafferige jongen, niet zo goed voor iemand die op krukken moet lopen. Hij is lui. En hij heeft soms diarree, wat onder andere komt van het snoepen. Zijn moeder verwent hem, en geeft hem te veel te eten. En luistert niet naar het team. Ze zijn bijna door hun geduld heen met dit gezin. Binnen wordt Thareef door de artsen onderzocht. De vader komt binnenlopen en maakt luidkeels grapjes over seks, en vraagt over zijn zoons hoofd heen aan de artsen of ze denken dat het nog wat wordt, met het verwekken van kinderen. Joes vraagt de tolk om de vader uit de kamer te sturen. Dat doet niemand daar makkelijk, want vaders zijn nog steeds het absolute hoofd van het gezin. Als we teruggekomen deze case bespreken vliegt Joes bijna uit zijn slof: waarom denkt niemand er aan om die vader weg te sturen- die jongen zijn seksualiteit is van hem, niet van zijn vader. Ziet niemand hoe die jongen, toch al beschaamd, nog meer in verlegenheid wordt gebracht? Er ontspint zich een discussie. Ik denk dat we er rekening mee moeten houden dat seksualiteit hier niet een individuele zaak is zoals bij ons. De hele familie heeft er mee te maken of deze jongen straks kinderen krijgt. Kinderen zijn meer dan alleen het voortzetten van de familie, ze zijn voor de ouderen ook hun oudedagsvoorziening. Dus de vraag van de vader moet serieus worden genomen, en tegelijk moet iemand hem beleefd uitleggen dat hij zijn zoon niet helpt met zijn grappen. En er zit nog een andere kwestie onder: durft het team werkelijk tegen de ouders die niet voldoende meewerken te zeggen dat ze hun kind zo niet verder kunnen helpen en niet meer in het programma willen hebben? Khaled herinnert het team aan de afspraak: alleen als de ouders meewerken en zich laten trainen kan een kind in het programma, anders blijf je maar eindeloos zorgen en redden zonder dat het enig effect heeft. En hij heeft al meegemaakt dat een familie later terugkwam met het verzoek of hun kind toch weer in het programma opgenomen kon worden, en meer bereid waren om mee te werken.

Ondertussen telefoon van Ruud en Eelco. Ze zijn aan de andere kant, maar hebben een paar benauwde momenten gehad. Aan de Palestijnse kant van de grens werd ze verteld dat het niet veilig was om de grens over te gaan, en dat ze dat alleen konden doen op eigen risico. Als jullie je paspoort boven je hoofd houden schieten ze waarschijnlijk niet, werd ze verteld. Een niet erg gerustellende gedachte. Toen werden ze omringd door een groep opgewonden Palestijnen, en net op dat moment kwam er een Israëlische tank aanrijden. Tijd om je uit de voeten te maken. Toen ze al bijna bereid waren om maar weer terug te gaan en een dag later te vertrekken kwam iemand op het idee om iemand van de nabije VN post te vragen om hulp. Met de wapperende blauwe vlag op een wagen van de Verenigde Naties werden ze uiteindelijk over de grens gereden. Aan de andere kant: niets meer te merken van de nieuwe invasie.

Joes wordt gevraagd of hij even naar een van de jongens in de rolstoelen uit Rafah kan kijken. Die ziet er bleek uit en voelt zich niet lekker. De jongen is geconstipeerd, constateert Joes, hij is in deze vreemde omgeving al in geen dagen naar de WC geweest en krijgt een zetpil. Even later rijdt hij opgelucht en met wat meer kleur op zijn wangen en een beetje schaapachtig verlegen met zijn rolstoel uit de WC. Waren de oplossingen maar altijd zo simpel. Zetpillen voor Gaza.

Aan lange tafels eten we een feestmaal, kip op rijst met amandelen, sinas en cola.
Dan kunnen we nog net het bedplassen behandelen. Joes houdt een inleiding over de medische aspecten, Jan over de omgang tussen ouders en kinderen. Opnieuw wordt dit een verhandeling over het centrale thema: bijna geen enkel probleem is alleen medisch. Bedplassen is een normale menselijke reactie in een abnormaal gespannen situatie. Dus niet straffen. Niet beschamen. En niet als een medisch probleem behandelen.

Dan wordt er aan het einde van onze werkdag weer een klein rampje binnengebracht. Een meisje dat er uit ziet alsof ze aan het sterven is, maar blijkt te slapen. Genetische afwijking: haar botten blijven zacht, en ze breekt ze om de haverklap. Haar vader die haar zorgzaam uit haar mandje heeft getild laat ook de röntgenfoto’s zien. Armpjes elk minstens vijf keer gebroken, aan de ene kant alle ribben, beentjes krom door de botbreuken die niet recht zijn geheeld. Het is duidelijk dat de ouders alles voor hun kindje hebben gedaan, maar dat er geen genezing is. Maar dan komt de werkelijke vraag. Hoeveel kans hebben de ouders dat volgende kinderen dezelfde ziekte zullen hebben? Ze zijn niet eens neef en nicht, zoals veel echtparen hier, maar hebben toch de pech dat ze beide drager zijn van de ziekte. Kans van 1 op de 4. En is het mogelijk om een prenatale test te doen binnen de eerste zes weken van de zwangerschap als ze volgens hun geloof nog abortus mogen laten plegen? Joes op zijn best. Zegt: het is mijn plicht om jullie godsdienst te respecteren, maar weet je zeker dat jullie God niet een paar weken meer door de vingers wil zien? Om de moeder te sparen? De vader knikt. Het mag ook wel tot in de vierde maand, van God, als het gaat om een ernstige handicap. Een wijze God, jullie God, zegt Joes. De vader zegt dat hij al bijna besloten heeft dat er geen nieuwe kinderen meer komen. En Joes belooft zijn vrouw te bellen over zwangerschapstests, Henny is vroedvrouw, voor het geval.

Die avond praten we lang. Duwen we niet te hard? Waar komt ons ongeduld vandaan? Ik bedenk opeens waarom ik me die dag zo bedrukt voel. Omdat ik het gevoel heb tegenover hen te kort te schieten, net als zij tegenover hun patiënten. Ik wil zoveel meer doen, in de korte tijd dat we er zijn. En dat uit zich in irritatie, als ze niet voldoende reageren in onze ogen. Is dat niet ook waar Joes last van heeft? Het lijkt wel of we nu zelf een illustratie vormen van waar ik hen les over geef. Hoe ook wij soms de balans niet meer weten tussen een grote betrokkenheid en het gevoel van machteloosheid, en dat dan vervolgens omzetten in ongeduld en irritatie. En natuurlijk, als ze zich bekritiseerd voelen omdat we meer reactie van ze verwachten voelen zij zich weer tekort schieten en gaan juist nog meer zwijgen en afwachtend en passief achteruit zitten. Daar moeten we morgen wat van zeggen. We bereiden de discussie over seks voor. Eigenlijk heeft het team alleen vragen gesteld over wat dwarslaesie patiënten moeten doen die kinderen willen krijgen. Maar wij vinden dat je patiënten niet kunt voorlichten als je zelf niet vrij over seksualiteit kunt praten. Dus willen we beginnen met een algemeen gesprek over seksualiteit. We hebben zo onze vermoedens dat er zeker in dit gemengde team nooit over wordt gesproken. De mannen zijn gewend om er grappen over te maken als ze onder elkaar zijn. Maar je hebt het er niet over als er vrouwen bij zijn, en zeker niet in dit team waar de helft van de vrouwen nog ongetrouwd is. Durven we het aan, en hoe gaan we het doen? Het is een bekende spanning waar we mee te maken hebben. Aan de ene kant willen we de cultuur hier respecteren, en ons niet opstellen als deskundigen die het beter weten.
Aan de andere kant zien we juist omdat we buitenstaanders zijn hier problemen die zij zelf niet waarnemen, en zijn wij in een positie om af en toe een taboe te doorbreken, en vanuit onze ervaringen een gesprek aan te gaan dat anders niet zou plaatsvinden. Over het houden van slechtnieuws gesprekken, bijvoorbeeld, waar niemand hier goed in is, en op het geven van constructieve kritiek en feedback. We maken hier voortdurend mee dat we in vertrouwen worden genomen over problemen waar niemand hier met een ander over wil praten. Er wordt hier veel geroddeld in dit overbevolkte gebiedje, met zoveel sociale controle. We besluiten dat het belangrijk is om authentiek te blijven, en te beginnen vanuit onze eigen ervaringen, om te voorkomen dat het lijkt of we onszelf op een hoger niveau plaatsen met onze deskundigheid. Het gaat als altijd om het vinden van een juiste balans tussen respect en uitdaging.

Donderdag 14 februari

Vier doden in het Noorden. Khaled heeft voor iedereen een rode roos meegenomen, want het is Valentijnsdag. Nasreen is er weer, stralend. De hele dag is ze naar buiten gelopen ondanks haar huisarrest om te kijken of de tanks al weg gingen, zo boos dat zij nu niet naar de training kon komen terwijl Jan was gekomen. De Israëli’s zijn vertrokken, met medeneming van een bus vol gevangenen. Die een dag later bijna allemaal weer vrijgelaten worden, want ze hebben niemand op kunnen pakken die ze zochten. Wel hebben ze nu vier begrafenissen veroorzaakt, een van de doden is familie van Nasreen, veel vernielingen en een massa bange kinderen die nu ook in hun bed gaan plassen- als ze dat niet al deden. De jongens in hun rolstoelen kunnen eindelijk naar huis. Kassim is op en neer naar Rafah geweest en heeft vannacht weer thuis geslapen. Het lijkt of er een lichtere energie hangt dan in de dagen ervoor. Komt dat alleen omdat er vandaag even weinig blokkades zijn, geen bombardementen, de bezetting van Beit Hanoun weer is ingetrokken? Onderschatten we toch nog hoe iedereen beïnvloed wordt door de dagelijkse zorgen die ze zo goed en kwaad als het gaat proberen te verdringen? Of komt het doordat we door het gesprek van gisteravond zelf weer wat meer in balans zijn?

We vragen Nasreen om de ochtend te beginnen met het verhaal over wat ze gisteren heeft meegemaakt. Het is tegelijk een oefening: om meer met elkaar te delen in plaats van alleen maar flink te zijn en niet te klagen. Ja, ze was woedend gisteren, we kunnen ons niet verdedigen, zegt ze, zelfs niet in onze eigen huizen. Daarom doe ik dit werk, om andere mensen te helpen die lijden onder wat ze wordt aangedaan door de Israëli’s.
Joes legt uit dat hij gisteren een slechte bui had, en dat hij inziet dat het geen zin heeft om lezingen op te dringen wanneer mensen zoveel zorg hebben over hun thuissituatie, en dat we dat misschien onderschatten. En ik zeg dat ik begrijp dat ik net als zij altijd het gevoel heb dat ik niet voldoende kan doen, dat ik tekort schiet en zo graag meer zou willen kunnen doen. En opeens ben ik in tranen. En vind het niet erg dat ze dat zien. Jan heeft zijn hand op mijn schouder gelegd. Joes naast me schiet ook vol. Ramadan, de grote grappenmaker zegt, alsof hij onze rol overneemt, dat het prima is als we onze tranen laten zien. Hier huilen mannen niet, zegt hij, maar als we een man zien huilen weten we dat hij een mens is en niet een steen. En Kassim zegt dat hij blij is met onze komst. Mensen die tegen de stroom opzwemmen.

We bespreken de dikke jongen van gisteren. Wat doe je met een vader die zijn zoon beschaamt? Valt het hem uit te leggen dat we begrijpen dat hij zorgen heeft, maar dat hij het moeilijker maakt voor zijn zoon? Is dat te doen, voor het team, om daarover met de vader te praten? En die jongen moet meer bewegen. Kleine doelen stellen, die haalbaar zijn, liever dan één grote die hij toch niet haalt. Zodat hij tevreden kan zijn met een reeks kleine succesjes in plaats van ontmoedigd te raken en dan weer lui te worden en zich vol te proppen met snoep. En die moeder moet weten dat ze haar liefde ook anders kan uiten.

Er worden twee taarten met kaarsjes binnengebracht. Imtithal is jarig. We zingen Happy Birthday voor haar in het Engels en dan zij in het Arabisch. En dan is het eindelijk tijd voor de seks. Jan houdt een inleiding, over waar seks allemaal over gaat, over religie, voortplanting, liefde, geld, zelfexpressie. Hoe we weten dat er hier in deze andere cultuur anders over gedacht wordt dan bij ons, maar dat we ook overeenkomsten hebben. Dat ook wij heel veel zelf uit hebben moeten zoeken, en veel niet wisten toen we jong waren. Hij praat over de geheimen in onze cultuur, die ook maar pas de laatste tijd bespreekbaar zijn geworden, over incest en seksueel misbruik. Over mannenseksualiteit, die vaak zo object gericht is, en hoe anders vrouwen dat kunnen ervaren, alsof mannen en vrouwen niet dezelfde cultuur delen. En ik vertel wat over mijn eigen geschiedenis, hoe weinig ik vroeger wist. En hoe moeilijk het destijds voor meisjes was, die alleen iets te horen kregen over voortplanting, en niet over plezier. Hoe je er als meisje toch niet voor uit mocht komen dat je nieuwsgierig was, en zin had, omdat je anders het respect van mannen verloor. De vrouwen knikken, als ik dat vertel. Dan vraagt Jan ze om twee aan twee, mannen met mannen en vrouwen met vrouwen, te vertellen wat ze vinden van wat we hebben gezegd, en dan anoniem hun vragen op te schrijven. Alle vragen die ze ons zouden willen stellen. Ramadan vertaalt, met veel grappen en gelach tussendoor. Hebben vrouwen ook dat ze in hun slaap een orgasme krijgen en dan aan een andere man denken? Heeft een vrouw wel een orgasme als ze seks heeft? En voelt dat voor een vrouw hetzelfde als voor een man? Gaat het bij een vrouw even snel? Een van de vragen is geen vraag maar een opmerking. In de Koran staat dat een man zich niet als een beest naar een vrouw mag gaan, maar altijd een boodschapper vooruit moet sturen, in de vorm van een kus. Ik zeg dat ik zou willen dat dat ook in de bijbel stond. En dan de vraag of wij ook vinden dat een man seksueel niet genoeg heeft aan één vrouw. Over impotentie, tot hoe oud kan een man nog? En hebben vrouwen ook zoiets? Wat zijn de voorschriften voor goede seks? Op één papiertje staat een opmerking dat het probleem met mannen is dat die altijd alleen aan hun eigen bevrediging denken. Ik raad dat het de enige vrouw is zonder hoofddoek die dat op heeft geschreven. We geven antwoord, zo open en persoonlijk mogelijk. Ik houd een verhandeling over de ontdekking van het vrouwelijk orgasme, en dat ik daar ook wel even over heb gedaan om uit te vinden hoe dat zat. Dat je seks moet leren, en dat mij hier het probleem lijkt dat er niet zoveel mogelijkheid is om uit te vinden wat je wilt. Voor de vrouwen zeker niet, maar hoe komen de mannen te weten wat vrouwen willen als de vrouwen dat zelf niet kunnen vertellen? We hebben een gesprek over de huwelijksvoltrekking, twee mensen die het nog nooit hebben gedaan en die dan opeens moeten. Alsof je iemand die nog nooit heeft leren zwemmen en altijd verboden hebt om dichtbij het water te komen er opeens ingooit en zegt: en nou zwemmen. Jan zegt dat mannen voor wie één vrouw niet genoeg is, twee vrouwen ook niet genoeg zijn. Net als die jongen gisteren met dat snoep. Die heeft ook nooit genoeg omdat hij in wezen ontevreden is en wat anders wil. De mannen grinniken. Dit is nog niet het einde van het gesprek, maar een goed begin. Ik spreek af de volgende keer met de vrouwen apart te praten, en als de mannen beginnen te morren: die willen geen woord missen van dit onderwerp, beloof ik dat we ze na afloop zullen vertellen wat onze conclusies zijn. En dan krijgen eindelijk de artsen hun zin die willen weten hoe het zit met seks en dwarslaesies, want Joes houdt college over de mogelijkheden, en de complicaties. Over erecties, orgasmes, spermaproductie, geslachtsgemeenschap, over de mogelijkheid een baby te maken en over de mogelijkheid om te vrijen, ook zonder erectie. Het is een verhaal over vacuümpompen en injecties. Au, zegt Jan naast me, en ik krijg bijna fantoompijn aan e
en lichaamsdeel dat ik niet eens heb. Wat een gedoe, en dat als je net bent getrouwd en nog nooit hebt gevreeën.
Iedereen heeft rode oren. Ook wij. Ratiba en Kassim die zich anders terugtrekken om te bidden moeten zich haasten. En wij hebben nog net tijd voor alle mensen die ons gevraagd hebben om een privé consultje.

’s Avonds komen Ramadan, Khaled en Fatma naar de flat met een uitgebreide vismaaltijd. We nemen door of ze tevreden zijn met het werk tot nu toe. Hoe het gaat met het geld, de teamsamenstelling, een van de artsen is opgeleid in Roemenië, een formele man die zijn patiënten nauwelijks aankijkt, denken we dat die nog wat medemenselijkheid bij kan leren? En hebben ze nog wensen hebben voor de toekomstige samenwerking met ons? We maken een lijst met onderwerpen. Jan kan nog een keer een korte training komen doen over teambuilding.

Vrijdag 15 februari

Het is onze laatste ochtend. Het hele team is gekomen, hoewel dit hun vrije dag is. We horen dat er een tank is opgeblazen bij Bureije kamp, drie Israëlische soldaten dood, en dat het leger al aanstalten maakte om met de tanks het kamp in te trekken, maar toch weer rechtsomkeert heeft gemaakt. Er zitten zeker weer represailles aan te komen, maar nu is het rustig, en er worden geen moeilijkheden verwacht voor ons om Erez door te komen. Joes gaat met de artsen apart zitten. Jan en ik zitten in een kleine kring met de andere teamleden. Nasreen heeft nog wat vragen over hersenbeschadigingen. Ik vertel over mijn vader die pas geleden is overleden aan Alzheimer. Hoe dat gaat als hersens onherstelbaar beschadigd raken, en hoe mensen daar emotioneel op kunnen reageren. Dat het soms minstens zoveel de omgeving is die moet leren er mee om te gaan. Dan komt de vraag op de kinderen, die bang zijn. Wat kun je voor ze doen? Wat moet Kassim doen met zijn kinderen die hun moeder badend in het bloed hebben gevonden? Wat moet Fatma doen met haar oudste dochters die geen enkel spoor van angst meer tonen en gewoon blijven buiten spelen als de helikopters over vliegen? En met haar jongste zoontje die onder het bed kruipt? Lekker onder het bed laten liggen, stelt Jan voor. Maar dat is toch niet normaal, zegt Fatma. De situatie is niet normaal, zegt Jan. Een veilige plek zoeken is toch precies wat een kind dan kan doen? Geef hem een dekentje onder het bed. Wat moet ik doen wanneer mijn dochter vraagt of ik niet weg wil gaan naar mijn werk, omdat ze bang is dat me wat gebeurt, vraagt Kassim. Jan vertelt over zijn dochter, die ook niet wilde dat hij weg zou gaan naar dat enge land dat ze op de televisie had gezien. Niet liegen, niet ontkennen, ruimte geven voor expressie. Boos laten zijn, verdrietig laten zijn. Meer samen met ze doen, spelletjes, zingen, de kinderen spelen te vaak alleen.

We moeten weg. Ik geef de mannen een hand, en omarm de vrouwen, Joes en Jan doen het precies andersom. Ratiba is in tranen, en zelfs Nasreen, beheerste Nasreen, moet even zachtjes huilen als we met de armen om elkaar heen staan.

Bij Erez is er niets aan de hand. De zon schijnt. De Israëlische vlag wappert vrolijk. Geen tank in zicht. De meisjes in legeruniform die onze paspoorten moeten controleren vervelen zich nog steeds te pletter