Een hoopvol perspectief voor Gaza?

Speech door Khaled Abu Zaid, directeur en oprichter van het NCCR in Gaza, 21 maart 2003 in De Rode Hoed, Amsterdam

Namens de mensen met een handicap in Gaza, en namens onze teams wil ik u hartelijk groeten. En ik wil Stichting Kifaia bedanken dat ze me hebben uitgenodigd.
Ook wil ik een aantal Nederlandse organisaties bedanken die onze gehandicapten de laatste jaren hebben ondersteund, met name het Liliane Fonds, Stichting Kinderpostzegels en Cordaid. Zij zijn voor ons erg belangrijk geweest, dankzij hun steun was het ook in deze moeilijke tijden voor ons mogelijk om ons werk voort te zetten.

Khaled Abu Zaid

Ik ben Khaled Abu Zaid, 44 jaar oud, ik heb twee zoons van acht en zes jaar. Ik ben afgestudeerd aan de Universiteit van Bir Zeit, in politicologie, in 1983. Nu studeer ik Health Management aan de American University.

Ik wil iets vertellen over hoe het was als student, studerend en al nadenkend over een baan, toen er in 1982 een nieuwe oorlog begon, de oorlog tegen Libanon. Deze oorlog heeft vele jonge Palestijnen geradicaliseerd. We begonnen opnieuw na te denken over onze eigen geschiedenis, over wat er met ons volk was gebeurd in 1948 toen de staat Israël werd gevestigd, en velen van ons alles verloren en vluchteling werden, en toen opnieuw in 1967, toen de Gazastrook en de Westoever werden bezet. Voor mij luidde deze periode een nieuwe fase van politiek bewustzijn in, met de vraag: waar staan we, wat zijn onze dromen, wat is onze hoop voor de toekomst, willen we voor eeuwig onder een bezetting leven? Dus sloot ik me aan bij de Fatah beweging, de beweging die een revolutie wilde beginnen om de Palestijnen te bevrijden, om geheel Palestina te bevrijden van de Israëlische bezetting. We begonnen ons te organiseren in kleine verzetsgroepen, en ik leidde twee groepen, een voor mannen en een voor vrouwen. Ik gaf ze les in verzetswerk, en hoe je wapens en explosieven moest gebruiken. Toen werden we gepakt door de Israëlische Veiligheidsdienst, dat was nog voor de eerste intifada, en ik werd voor zeven jaar naar de gevangenis gestuurd. Ik had nog niets gedaan behalve plannen maken, en misschien was het maar gelukkig dat we nog niet begonnen waren om onze wapens te gebruiken. We hadden niemand gedood of gewond. In feite waren veel van de mensen in de gevangenis nog niet actief geworden, maar ze hadden zich uitgesproken tegen de Israëlische bezetting, en ze hadden zich bij de verzetsgroepen aangesloten, feitelijk waren ze politieke gevangenen. Toen de eerste intifada losbarstte kon ik niets doen toen buiten de gevechten begonnen.

In feite werd de gevangenis onze nieuwe universiteit. We organiseerden cursussen voor alle nieuwe gevangenen, over de Palestijnse geschiedenis, over onze beweging en over Palestijnse rechten. We lazen veel boeken, we onderwezen elkaar. Toen gebeurde er iets in 1989. Ik gaf een cursus voor 15 nieuwe leden over geschiedenis en politiek, toen we hoorden dat de PNA, het Palestijns Nationaal Gezag een bijeenkomst in Algerije hadden georganiseerd waarbij ze aankondigden dat ze het bestaan van Israël in het Midden Oosten accepteerden. Ze waren onderhandelingen begonnen met Israël om tot een verdrag te komen. Ik was ontzettend geschokt: onze eigen leiders gaven het idee van een revolutie op, en in plaats daarvan gingen ze in gesprek met de Israëli’s? Ik hield meteen op met de cursus, tot ik een brief ontving van de leiding van Fatah, de beweging van meneer Arafat, waarin ons uitgelegd werd wat ze aan het doen waren. Ik had me nog afgevraagd, of die aankondiging strategisch of tactisch was bedoeld. Maar het was strategie, ze meenden het, tot mijn grote verbazing. Ze zeiden echt dat ze bereid waren om een Palestijnse staat naast de staat Israël te accepteren. Iedereen in de gevangenis was totaal verrast en geschokt. Wij zaten in de gevangenis omdat we de staat Israël omver wilden werpen, en ondertussen hadden ze zonder ons besloten om het doel van onze strijd te veranderen. Nu onze leiders bereid bleken om een compromis te sluiten moesten wij opeens 180 graden van mening veranderen en al onze dromen en hoop herzien. Toen ze me vroegen of ik de cursussen voort wilde zetten heb ik geweigerd, ik kon het niet. Hoe kon ik de mensen van Fatah in de gevangenis vertellen dat onze beweging opeens compleet was veranderd?

Toen begon ik opnieuw na te denken en te studeren, over het Verdelingsplan van de VN, het twee staten voorstel, maar ook over de houding van Sadat, de Egyptische president die met Israël wilde onderhandelen en vrede wilde sluiten.

Ik herinnerde me hoe ik van mening verschilde met mijn vader voordat ik de gevangenis in ging. Hij kwam uit Jaffa, het grootste deel van onze familie kwam uit Jaffa, hun buren waren Joden, en sommigen van hen waren nog steeds met mijn vader bevriend. Na jaren belden ze elkaar nog steeds. Voordat ik naar de gevangenis ging was ik het ontzettend met hem oneens. Ik vond het geheel verkeerd om met Israëli’s bevriend te zijn, voor mij waren onze buren nu onze vijanden. Ik maakte ruzie met mijn vader, ik vond dat hij een slechte invloed had op mijn broers met zijn verhalen, in plaats van ze aan te moedigen tegen de Israëli’s in opstand te komen en ze te bevechten had hij het over vriendschap. Ik had tien broers. Ik geloofde er diep in dat het de plicht was van mijn generatie om een revolutie te beginnen tegen Israël. Maar nu onze eigen leiders van politieke richting veranderden werd ik gedwongen alles opnieuw te overdenken.

Ook veranderde ik door het leven in de gevangenis, het dag in dag uit opgesloten zijn tussen vier muren. Ik begon na te denken over onze bewakers, met een paar van hen kon ik wel praten. En ik begon te denken: zitten zij niet net als ik in deze gevangenis? Zij hebben er niet voor gekozen hier te zijn, ze willen hier niet zijn, maar ze moeten een bevel opvolgen. Zij zijn ook niet vrij. Eigenlijk, dacht ik, zijn zij ook mensen, en ook gevangenen, net als wij.

Dus begon ik langzamerhand anders te denken. Ik dacht: meer dan vijftig jaar oorlog, en wat heeft het ons gebracht? Geen oplossing, geen vrijheid, maar vele doden, en vele gewonden en gehandicapten, zoveel huizen verwoest, te veel extremisten aan beide zijden, economische en maatschappelijke ontberingen en armoede, en mensen aan beide kanten die in angst moeten leven. En toen eindelijk, na lang nadenken, begon ik te geloven in de mogelijkheid van vrede. Vrede voor beide volken.

Dus wat moest ik toen doen? Toen ik in 1991 uit de gevangenis kwam, geloofde ik dat het beter zou zijn als onze beide volken samen zouden leven, elk in hun eigen staat, dicht bij elkaar, en dat we in plaats van elkaar te bestrijden konden beginnen met de heropbouw van ons leven. Ik merkte op, toen ik uit de gevangenis kwam, dat ondertussen veel Palestijnen er net zo over begonnen te denken als ik, misschien wel 80 procent, dat aan beide kanten mensen het recht hadden om in vrede te leven, elk in hun eigen staat. Waar we niet zo zeker van waren was hoe de mensen aan die andere kant er over dachten. Dus we begonnen contact met hen te zoeken.

Toen het Palestijnse Gezag in 1994 naar Gaza kwam waren we al begonnen met relaties aan te gaan met de mensen aan de andere kant, vooral met de Israëlische vredesbeweging. Ik had contact met mensen in Tel Aviv, en we begonnen er over te praten hoe we samen konden werken en elkaar beter konden leren kennen. Ik maakte een plan om een vriendschappelijke basketbal wedstrijd te organiseren tussen gehandicapte mannen van beide kanten, en om op andere manieren samen te werken.

Maar toen begon de tweede intifada, in september 2000 werden veel van onze dromen, en onze goede kontakten kapot gemaakt. Ons dagelijks leven werd heel erg moeilijk. Het was bijna onmogelijk voor de jonge mensen aan beide kanten om nog contact met elkaar te houden. Alles wat we hadden opgebouwd werd vernietigd door dat ene bezoek van meneer Sharon aan de al
Aqsa moskee.

Miss Anja heeft al eerder uitgelegd hoe de situatie in Gaza is, wat het betekent om onder een bezetting te leven die met de dag zwaarder wordt. Over de bombardementen, de afsluitingen die het voor ons onmogelijk maken om van de ene kant van Gaza naar de andere te reizen, en bijna elke nacht aanvallen en invallen. Toen ik van Cairo op bezoek ging bij mijn broer in Saarbrücken voordat ik naar Amsterdam reisde, viel het hem op hoe ik was veranderd. We praatten over de situatie in Gaza, toen ik plotseling iets hoorde. Dus ik liep naar het raam om te kijken of ik helicopters kon zien. Het waren geen helicopters, maar het geluid van de metro dichtbij, maar net als de meeste Gazanen denk ik bij elk geluid onmiddellijk: wat gebeurt er? Waar vallen ze nu weer aan? En mijn broer moest me er aan herinneren: je bent niet in Gaza, je bent in Saarbrücken. Ook in Amsterdam word ik elke nacht wakker omdat ik denk dat ze ons aanvallen, tot ik bedenk dat ik niet in Gaza ben. En ik weet het: ook aan de Israëlische kant zijn de mensen bang, net als ik. Ze durven niet naar een restaurant te gaan, ze durven de bus niet te nemen. Net als toen ik in de gevangenis zat: ook nu zitten we samen in dezelfde gevangenis en dat is niet goed.

Wat bedoel ik hiermee te zeggen? Voor deze lezing begon vroeg iemand aan me: wat vind je van Amsterdam? Ik zei: ik vind het erg mooi. En ze vroeg: wat is er dan zo mooi aan? Ik zei: de vrijheid. De vrede. Mensen hier hoeven niet bang te zijn. Ze kunnen ’s nachts slapen, en ze worden niet wakker uit angst voor de aanvallen en of hun kinderen wel veilig zijn.
Ik ben er van overtuigd dat onze beide volken, Palestijnen en Israëli’s dit verkeerd vinden. Dat ze het verkeerd vinden dat we geen van tweeën in veiligheid leven, dat we in gevaar zijn en moeten vrezen voor ons leven.

Er zijn dus aan beide kanten mensen die nadenken: wat is de beste manier om veiligheid en vrede te krijgen, en hoe kunnen we maken dat onze leiders naar ons luisteren? Weten onze leiders wel hoe zwaar de mensen lijden? Hoe kunnen we ze er van doordringen dat oorlog niet de manier is?

Eigenlijk hoeft het niet zo moeilijk te zijn om vrede te krijgen. In de jaren tachtig onderwezen we de jongeren op scholen en universiteiten over de mogelijkheid van vrede, en we hadden er succes mee. Zelfs nu zou het mogelijk zijn, als we weten dat onze leiders vrede willen, om de jongeren opnieuw te leren dat het nodig is om terug te keren naar de onderhandelingen en op te houden met de oorlog en het geweld. Dat we voort moeten gaan op de weg van de Oslo Akkoorden.

Vier jaar geleden was ik ook in Amsterdam, en er werd mij gevraagd wat we er aan konden doen om betere relaties met Israël te krijgen. Ik had toen een plan, en dat heb ik nog steeds, om vriendschap te sluiten tussen de gewonden van beide kanten, de Palestijnse en de Israëlische soldaten die gewond zijn geraakt en gehandicapt zijn geworden, om gezamenlijk onze leiders onder druk te zetten om ook een betere relatie aan te gaan. Om ze het goede voorbeeld te geven. Ik denk dat de gehandicapten aan beide zijden, wij die het meest geleden hebben in de oorlog, en die een hoge prijs hebben betaald voor de strijd, de beste mensen zijn om hen te laten zien dat het mogelijk is. We moeten onze leiders vertellen: als wij, die hebben geleden, het kunnen, dan kunnen jullie dat ook.
Ik weet dat er nog vele problemen komen en moeilijke tijden. Er zullen nog meer mensen sterven, en gewond raken, en gehandicapt raken, voordat deze oorlog is afgelopen. Ook op dit moment gaat de destructie door. Maar ik hoop en geloof nog steeds dat er vrede mogelijk is in het Midden Oosten, hoewel we daar heel erg hard voor zullen moeten werken. Uiteindelijk zal het verlangen naar vrede en veiligheid het aan beide kanten winnen. Daarvoor hebben we een democratische Palestijnse staat nodig, naast de staat Israël. Als die er eenmaal zijn, en we kunnen weer in vrede en veiligheid geloven, dan denk ik dat het mogelijk is om samen te leven in één staat voor al onze mensen. Misschien denkt u dat dat onmogelijk is, misschien duurt het nog dertig jaar, maar ik geloof er in. Het is mijn droom, mijn hoop, ik geloof dat dat is wat we nodig hebben, wat elk mens aan beide kanten nodig heeft, Palestijnen en Israëli’s die samen werken en wonen in één land.

Om deze droom waar te laten worden moet iedereen in beweging komen. We moeten onze leiders overtuigen: dit is wat we uiteindelijk allemaal willen: vrede. We zullen over oude schuld heen moeten stappen, en we zullen op moeten houden die schuld aan onze kinderen door te geven. Dus dit is waar ik op hoop en waar ik voor bid: dat al onze mensen op weg zullen gaan naar dit doel, en dat jullie daarbij onze mensen zullen ondersteunen.

Dank u wel.