Samenwerkende medici

In Gaza is geen gebrek aan mensen die een opleiding hebben gevolgd als arts, verpleegkundige, fysiotherapeut of psycholoog. Vaak in het buitenland, toen dat nog kon. Zo hadden we een arts die zijn opleiding had gevolgd in Rusland, een verpleegkundige die het had geleerd in Egypte. We kenden artsen die vooral gespecialiseerd waren in het uitschrijven van antibiotica, en een psychologe die vooral was opgeleid met Freud. Niet alleen sluit hun manier van werken niet altijd op elkaar aan, in de meeste van die opleidingen leer je niet om samen te werken, of, zoals wij dat noemen, een ‘multidisciplinaire’ aanpak te volgen.

Zo maakten we in het begin mee dat de arts de diagnose gaf, daar was hij arts voor, en dat vervolgens de verpleegkundige en de fysiotherapeut elk hun werk deden. En dan mocht de psycholoog nog wel een gesprekje doen en met de familie praten. Het was dus een geheel nieuwe aanpak die Kifaialid Joes Meens, verpleeghuisarts, introduceerde. Dat hield in dat je samen een team bent, elk met eigen specialismen en dat je samen een behandelplan opstelt op maat, en het liefst ook nog in samenspraak met de patiënt en zijn familie.

Daarvoor is het nodig dat je de patiënt als een geheel ziet, als een mens met alles er op en er aan en niet opdeelt in losse onderdelen, een been, een rug, waar toevallig ook nog een mens aan vast zit. En dat die patiënt een omgeving heeft, die meedoet. En ook is het nodig dat de oude hiërarchie – de arts beslist en de anderen voeren uit – verdwijnt. De arts moet dus een beetje van zijn voetstuk naar beneden en de verpleegkundigen en fysiotherapeuten moeten leren om voor hun beroep op te komen.

Een voorbeeld

In de beginjaren werden we geconfronteerd met een patiënt waar werkelijk alles mis mee was. Ala’a heette hij, de zoon van een visser, die op jonge leeftijd was gevallen, dwarslaesie had die te laat was opgemerkt omdat hij te jong was om al te lopen. Toen we meegenomen werden naar zijn huis was het een hoopje ellende, veel te klein en te mager voor zijn leeftijd, hij was elf, hij had doorligwonden en een longontsteking en een schimmelinfectie in zijn mond waardoor hij bijna niet at, hij was inmiddels resistent tegen antibiotica en hij was zo te zien ook nog zwaar depressief, wat niet verwonderlijk was, want hij lag maar in een kamer met een kanariepietje in een kooitje en de tv aan. Dat is niet veel meer, dachten wij, dat wordt een ommetje stervensbegeleiding, ook belangrijk én nuttig. Want ook dat mochten de teams wel een beetje bijleren, die gewend waren om tot het allerlaatst hun patiënten naar het ziekenhuis te sjouwen. Want je mocht de hoop niet opgeven en iemand rustig thuis liefdevol dood laten gaan, zit er meestal niet bij.

Waar moest je aan beginnen? Joes Meens zette het team bij elkaar en liet iedereen zeggen wat ze zagen. En wat er het eerst moest gebeuren. Eerst contact met die jongen, vervolgens moest hij weer wat gaan eten en moesten zijn doorligwonden verzorgd. Zo deden ze dat, samen met de ouders, die ontzettend bezorgd waren en veel van hun jongen hielden. Door de gesprekken en de aandacht kreeg hij weer een beetje hoop, hij begon weer te eten. Door de goede wondverzorging verminderde de infectie. Er werd een ander medicijn geprobeerd en dat sloeg aan. Hij werd in zijn rolstoel mee naar buiten genomen zodat hij weer eens wat anders zag dan de tv en die kanariepiet. Het team meldde ons dat hij een wonderbaarlijke genezing doormaakte, en toen we de keer erna terugkwamen en bij hem op bezoek wilden gaan was hij niet thuis: hij sjeesde als de tiener die hij was, op zijn rolstoel door het vluchtelingenkamp, met zijn vrienden.

Een andere jongen die lam was geschoten toen hij stenen had gegooid naar een tank en nu in een rolstoel zat, werd binnengereden met de mededeling dat hij niet meer at. En of daar medicijnen voor waren. Al gauw bleek dat die jongen behoorlijk was getraumatiseerd en bovendien het gevoel had dat hij maar beter dood kon gaan omdat hij zijn vader, waar hij toch al een slechte relatie mee had, en die met een nieuwe vrouw was getrouwd, alleen maar tot last was. Daar kwam de jonge psychologe achter, die als een vriendin naast zijn stoel ging zitten en hem vroeg hoe het nu was, thuis. Soms schaamt zo’n jongen zich ontzettend, dat hij stinkt, omdat hij incontinent is en in zijn broek poept, en daarom niet meer naar buiten wil, en daarom vereenzaamt en depressief wordt. Het is zaak eerst te beginnen met een programma om hem op tijd naar de wc te krijgen. Die dan wel aangepast moet worden. In plaats van eerst te beginnen met pillen.

Die ervaringen, en zeker de miraculeuze genezing van Ala’a overtuigde het team wel van de meerwaarde om samen een behandelplan te maken, en steeds met elkaar contact te houden, wat zien we gebeuren, wat moet er eerst, wat gaat er goed, wat moet worden bijgesteld. Een ander belangrijk leerpunt was dat een jongen die het helemaal niet ziet zitten en eigenlijk zwaar depressief is en wel dood wil, al is dat in die cultuur niet iets wat je hardop zegt, zijn eigen behandeling onbewust zal saboteren. Zo hebben we in de loop van de trainingen vaker moeten praten over de wisselwerking tussen psyche en lichaam. De psycholoog hield zich bezig met psychische problemen en de arts hield zich bezig met de lichamelijke symptomen. Maar dat een jongen die niet meer eet misschien niet zozeer een medisch probleem heeft maar eerder flink depressief is, en vaak nog begrijpelijk ook, dat moest geleerd worden. En dus moesten de arts en de psycholoog leren elkaars taal te verstaan. En het allerbelangrijkste was misschien wel dat de teamleden van Joes Meens leerden dat de allereerste vereiste is dat je een band aangaat met de patiënt. Ze zaten er in het begin nogal eens van te kijken dat hij als arts bij een huisbezoek eerst naast iemand ging zitten, een gesprek begon, vroeg wat iemand zelf dacht dat de problemen waren, in plaats van meteen een lichamelijk onderzoek te beginnen. Het stuitte aanvankelijk nogal eens op weerstanden. ‘Dat gepraat, dat moest de psycholoog maar doen.’ Maar allengs werd duidelijker dat het werkte. Dat een patiënt en de familie, beter luisterden als ze eerst een beetje vertrouwen hadden en in de behandeling een rol mochten spelen. Er waren ook teamleden die dat allemaal veel te soft vonden. Een patiënt had maar gewoon te doen wat hem werd verteld. En als hij dat niet deed, dan was het een lastige patiënt.

Op een van de evaluaties die we hielden vroegen we de teamleden wat nou het belangrijkste was aan de trainingen die ze hadden gevolgd. En toen zei uitgerekend een van die mannen die dat gepraat eigenlijk maar onzin had gevonden: ‘dat je een goed contact hebt met je patiënt, dat je een relatie met hem hebt.’ Joes Meens en ik keken elkaar aan en zeiden later: ‘daarvoor deden we het nou.

Anja Meulenbelt