Opgesloten in de Gazastrook

Op 6 mei vertrok ik naar Gaza, alvast vooruit op de ploeg die een paar dagen later zou komen. Ik had al gehoord dat er moeilijkheden waren bij Erez, de controlepost waar je de Gazastrook binnenkomt, en dat sommige mensen wel zes uur hadden moeten wachten voordat ze door werden gelaten. De aanleiding wisten we ook: dat er twee internationale vredesactivisten waren gedood in de Gazastrook, waaronder Rachel Corrie die door een bulldozer was platgewalst. We wisten dus dat het IDF, het Israëlische leger, er alles aan zou doen om vredesactivisten bij de grens tegen te houden. Daarnaast was er een zelfmoordaanslag in Israël gepleegd door twee mannen met een Brits paspoort, die voor de aanslag in Gaza waren geweest. We konden dus verwachten dat de toegangsprocedure voor Gaza zou worden verscherpt.

Ik hoefde maar één uur te wachten. Naast me stonden mensen al vele uren, en ook aan de andere kant van de glazen deur, waar de mensen voor de balie stonden die er uit moesten werd gezucht en gehangen. De absolute winnaar was iemand die er twaalf uur over had gedaan. Het werd ook meteen duidelijk dat het hier ging om een zwaar ontmoedigingsbeleid om te proberen Gaza in en uit te komen, want de dienstdoende jonge soldaat had mijn paspoort in vijftien minuten afgehandeld, bestempeld, me in de computer gecheckt, nog eens naar zijn superieur gebeld met mijn gegevens, en liet mijn paspoort vervolgens rustig drie kwartier liggen. Om het me vervolgens plotseling te geven, met het groene papiertje dat me de toegang tot Gaza verschafte. Het was een ervaring zoals de Palestijnen vaak meemaken, je bent geheel afhankelijk van de willekeur van de dienstdoende mensen, die toevallig een slechte bui kunnen hebben of jou niet aardig www.deregenboog.org  vinden.

Ik was blij om weer in Gaza te zijn, de reis in maart was afgelast vanwege de Irak-crisis. Ik bewonderde het nieuw gehuurde gebouw, waar de verschillende afdelingen van het NCCR in zijn opgenomen, de dovenschool en de audiologiekliniek boven, daartussen de kantoren, beneden het Gaza Home Care Program en de inloopkliniek, en in een bijgebouwtje in de tuin het vrouwenproject, waar gehandicapte vrouwen en een paar mannen vazen en tegeltjes beschilderen. Op de oprijlaan stond de grote bus met de rijdende kliniek. Mahmoed, de koffiejongen, was net bezig de nieuwe boompjes water te geven in de tuin. Een ontzettende verbetering met voorheen, toen de dovenschool nog in een sousterrain was ondergebracht, en het GHCP in een oude kleuterschool, en nog goedkoper ook.

Ik ging aan het werk, vergaderde met de mensen over de fondsenwerving, ik was er bij toen de maandelijkse vergadering werd gehouden waarbij al het personeel, van artsen tot chauffeur en schoonmakers bij elkaar kwamen om te spuien wat ze op hun ziel hebben. Ik ging mee op huisbezoek, en kon constateren dat het team prima op elkaar ingespeeld is. Er was een nieuwe fysiotherapeut, een goede leek me, die respectvol en vriendelijk met onze klanten omgaat, en ze niet alleen ziet als een been of een rug. Ik maakte foto’s voor het Liliane Fonds van de dove kinderen die door hen worden ondersteund, en hoorde alle laatste nieuwtjes: wie er waren getrouwd, wie er kinderen hadden gekregen, en ook het hele verhaal van dr. Wa’el die de vrouw van zijn dromen had gevonden, en nu ongeduldig zat te wachten tot de vader van zijn bruid toestemming zou geven. Op een van de huisbezoeken was het feest, want ik was er bij toen Iman, het meisje van 9 met het door een tank aan flarden geschoten been heel voorzichtig haar eerste stappen deed. Hinkend en onzeker, maar op twee benen en rechtop: we hadden niet durven hopen dat ze haar been zouden kunnen redden en ze zelfs zonder krukken zou kunnen lopen. Dat is zo’n moment dat je weer weet waar we het voor doen, al dat geploeter en al die frustraties als je wordt tegengewerkt.

(hier komt nog een foto)

Op vrijdag verwachtten we Joes en Eelco, vergezeld van Karin, de vrouw van Ruud die vooor het eerst naar Gaza zou komen, en Josette, de zus van Joes. Ze zouden voor het weekeinde komen en we hadden een vol programma: het financiële jaarverslag rondkrijgen, huisbezoeken doen aan moeilijke gevallen, en de training voor de komende keer voorbereiden. Op vrijdag hoorden we dat de ploeg uren zat te wachten op Erez maar er niet inkwam. En op zaterdag ook niet. Zondag was de laatste kans, want maandag moesten we met elkaar weer terug, maar ook dat lukte niet. Als doekje voor het bloeden had Khaled een bezoekje aan Arafat georganiseerd. En dat lukte. Arafat had tijd, want het topoverleg tussen Colin Powell werd gevoerd met Abu Mazen, niet met hem. Ondanks dat was het een zwaar katterig gevoel dat we niet met elkaar aan het werk konden.

Maandag werd het opnieuw spannend, want nu moest ik er uit. Voor alle zekerheid was ik om acht uur ‘sochtends al bij Erez, hoewel ons vliegtuig pas om vier uur ’s middags zou gaan. Ik zat er vier uur. Toen werd duidelijk dat wachten niet hielp, want ik kon waarnemen dat er niemand werd toegelaten of er uit gelaten op twee kwaaie diplomaten na die tegen alle regels in moesten toestaan dat hun auto werd doorzocht. Met mij zaten ook de mensen met blauwe paspoorten te wachten, VN personeel, en als die er niet eens doorkwamen dan kon ik het zeker wel schudden. Toen duidelijk was dat ik mijn vliegtuig zou missen ging ik met mijn koffertje weer terug, en werd vriendelijk opgewacht door mijn Palestijnse vrienden die niet verbaasd waren me weer te zien. Dit is de normale gang van zaken voor Palestijnen, dat je nooit weet of de vergunningen en visa die je bij elkaar hebt gescharreld nog geldig zijn op het moment dat je bij de grens staat. Maar het was de eerste keer dat er zo met buitenlanders werd omgegaan. Ik kreeg geen reden te horen waarom ze me tegenhielden, behalve dat de grens dicht was, ik kreeg niet te horen voor hoelang, wat ik moest doen, bij wie ik moest zijn.

De volgende dagen werden dagen van bellen en mailen, overleg met ambassade en de vertegenwoordiging van de Nederlandse regering in Ramallah, met de collega’s die er zwaar van baalden dat ze er niet in waren gekomen en nu ook zonder mij naar huis terug moesten, met bezorgde vrienden en familie, en met de pers die er inmiddels lucht van had gekregen. En ik vergadere met mensen van andere gedupeerde organisaties. Vier keer heb ik in die dagen met mijn koffertje gepakt klaar gestaan omdat het er naar leek dat het nu ging lukken om er uit te komen, en het vervolgens weer uitgepakt en mijn bed maar weer opgemaakt. Het was op zich helemaal niet vreselijk om in Gaza te zijn, ik heb er werk, ik heb er vrienden, ik kon nog wat mensen bezoeken waar ik anders geen tijd voor had gehad, en Henri en Liesbeth, Nederlanders die er al negen jaar met hun zoontjes wonen, namen me onder hun hoede. Hun drankvoorraad was nog niet op, ze namen me mee naar vrienden, en daarnaast is het vooral Henri die de weg wist naar het hoogste gezag in het Israëlische leger, om te proberen me er uit te krijgen. En verder ging ik opnieuw mee op huisbezoek, liep mee op de demonstratie bij de herdenking van nakba dag, de grote ramp van 1948, en zat vaak shisha te roken met mijn vrienden op het strand.

Op dinsdag 20 mei hoorde ik dat het nu zeer waarschijnlijk ging lukken, en dat mijn papieren bij Erez inmiddels in orde waren, op woensdag 21 mei werd ik door Marc Gerritsen van de Representative in Ramallah meegenomen de grens over in een gepantserde diplomatieke wagen met de Nederlandse vlag er op. Ik ben nog nooit zo sjiek over de grens gezoefd. En donderdag erna was ik weer thuis.

In principe zou ik eind mei opnieuw naar Gaza gaan, met collega Jan Andreae, voor een training, en met Helma Kloosterman, die ons al eerder met veel geregel heeft geholpen. Een hoogtepunt van de reis zou zijn geweest dat we Hajo Meijer, van Een Ander Joods Geluid meegenomen zouden hebben naar Gaza, waar hij een lezing zou houden. Dat hebben we dus helaas af moeten zeggen.

Mijn Palestijnse vrienden waren niet vreselijk onder de indruk. Wachten om er in of er uit te komen, niet weten wat er aan de hand is, niet weten wat je moet doen, dat is daar heel gewoon. Abu Issa, Palestijn met Amerikaans paspoort vroeg me hoe lang ik al wachtte. Twee dagen, zei ik. Daar moest hij erg om lachen. Hij wachtte al twee jaar, zei hij. En er zijn mensen die al dertig jaar Gaza niet uit mogen. Het verontrustende was niet dat ik nu ook een lijfelijk meemaakte wat voor de Palestijnen dagelijkse kost is, maar dat duidelijk werd dat de bezetting, ondanks ‘road map’ een nieuwe fase in gaat. In de week dat ik er was was het weer raak: een vijf dagen durende invasie van tanks in het noorden, waardoor psychologe Nasreen niet naar het werk kon, zes doden op één dag waarvan drie burgers, vijftien huizen opgeblazen, ik kon ’s nachts de klappen horen, en zesduizend sinaasappelbomen ontworteld. Helemaal nergens aan was te merken dat het Israëlische leger van plan is om het leven van de Palestijnen te ‘normaliseren’ zoals ze is verzocht, zodat het Palestijnse Gezag tenminste een argument heeft om de militante Palestijnen er van te overtuigen dat ze op moeten houden met het gebruik van geweld. Als Israël daar niet mee ophoudt., en doorgaat met mensen doden, arresteren, afvoeren, huizen te vernietigen, de gebieden verder af te grendelen en mensen te isoleren en van hun laatste beetje vermogen om hun kost te verdienen beroven, hoe kun je dan verwachten dat ze vertrouwen hebben in de toekomst van de onderhandelingen die nog moeten gaan komen?

Een onderdeel van de nieuwe fase in de bezetting is dat de humanitaire hulp aan de Palestijnen in Gaza ernstig wordt belemmerd. Om te beginnen werden alle buitenlanders de toegang geweigerd of er niet uit gelaten, zelfs mensen van de UNWRA, de vluchtelingenorganisatie van de VN die al sinds 1967 zorgt voor voedsel, onderwijs en de meest basale medische zorg. Tweederde van de bevolking van de Gazastrook (1,3 miljoen mensen) hebben vluchtelingenstatus. Zeker nu de grenzen ook voor arbeiders die in Israël werk hebben vrijwel permanent zijn gesloten is een groot deel van de bevolking aangewezen op het voedsel, meel, olie, suiker, dat door de UNWRA wordt vertrekt. Tot voor kort werd de UNWRA niet tegengewerkt. Israël heeft ook voordeel bij hun aanwezigheid, want onder de Conventies van Geneve is een bezettende mogendheid verplicht om de bevolking die onder de bezetting leeft van voedsel, huisvesting, onderwijs en medische zorg te voorzien. En Israël laat dat graag over aan de internationale gemeenschap. Maar ook de mensen van de UNWRA kregen het in toenemende mate moeilijk. Er was al eens een voedseldepot gebombardeerd, een functionaris doodgeschoten, scholen van de UNWRA werden geconfisceerd om als provisorische gevangenissen gebruikt te worden tijdens razzia’s, als in een wijk of dorp alle mannen tussen de 15 en de 50 uit hun huizen werden gehaald. En nu werden de werknemers ook nog de toegang geweigerd, of mochten ze er niet uit.

Na een paar dagen kwam het bericht dat het IDF een lijst had opgesteld van werknemers van de grote organisaties, die van de VN en de door de VS gesponsorde onder andere, die toestemming zouden krijgen om de grens over te gaan. Dat stelde de organisaties voor een dilemma: moesten ze accepteren dat sommige van de werknemers wel, al was het met verscherpte maatregelen, de grens over mochten, en anderen, bijvoorbeeld die met Arabisch klinkende namen niet? Kleine organisaties kwamen sowieso niet in het verhaal voor, ik stond niet op de lijst. Voor veel humanitaire organisaties (en dus voor de Palestijnen die van hen afhankelijk zijn) zouden de nieuwe restricties neerkomen op een ramp. Zoals voor ons: wij doen ons werk als vrijwilligers, met het brengen van korte bezoeken op een toeristenvisum. Ook andere organisaties laten vaak voor korte bezoeken artsen of andere specialisten overkomen. Dat zou dus niet meer mogelijk zijn. Buitenlanders die in Gaza wonen kunnen het zich makkelijker veroorloven om zich er dan maar bij neer te leggen dat ze er een tijdje niet uitkunnen, maar het animo voor buitenlanders om in Gaza te werken zal er niet door stijgen. En dat is wat de bedoeling lijkt. De Palestijnen nog verder te isoleren. Eerst mochten de Palestijnen zelf er niet meer in of uit, ook die met een buitenlands paspoort. Toen werden ook Israëli’s van hulporganisaties zoals Artsen voor Mensenrechten en advocaten de toegang geweigerd. En nu geldt dat ook het overgrote deel van de buitenlanders die voor humanitaire organisaties werken.

Er wordt actie gevoerd, de organisaties, ook de grote die nog redelijk geprivilegieerd zijn leggen zich hier niet bij neer. Humanitaire hulp is een mensenrecht. Er is al gedemonstreerd door de werknemers van de NGO’s aan beide zijden van Erez. Regeringen bemoeien zich er mee, er worden kamervragen gesteld, er wordt overwogen om een proefproces te beginnen. En dan is er nog de ‘road map’. Israël wordt geacht het leven van de Palestijnen in de bezette gebieden, die voor het eerst ook door Israëli’s zelf zo worden genoemd (het woord ‘bezetting’ was voor functionarissen tot voor kort verboden) te ‘normaliseren’. We zullen zien. Op het moment dat we deze nieuwsbrief de deur uit doen horen we dat de eerste buitenlanders, ook die niet op de lijst stonden, er ongehinderd in en uit konden, maar je weet nooit voor hoe lang.

Ondertussen doen we wat we kunnen. We geven het, net als de Palestijnen zelf niet op. We gaan we door met fondsenwerven. Het lukt tot op heden nog om geld naar Gaza te krijgen, en dat is een belangrijke bijdrage, nog steeds.

Anja Meulenbelt