Geef. Nu!

In augustus was ik er voor het laatst, voor de grens ook voor mij dichtging. Het was er toen al heel erg. Door de blokkade die al anderhalf jaar duurde was bijna alles op. Voedsel kwam maar mondjesmaat de grens over, na veel gesoebat van de VN-organisatie daar, die een miljoen van de anderhalf bewoners van eten moet voorzien.

Kookgas was vaak op, elektriciteit nog maar een paar uur per dag te krijgen, benzine was schaars en alleen duur op de zwarte markt te kopen, aangevoerd door de smokkeltunnels. Onze teams van het NCCR deden hun best om alle gehandicapten thuis te bezoeken, maar het was vaak werken tegen de bierkaai. Mensen hadden nergens meer geld voor, spullen als pampers (voor de mensen met dwarslaesies die incontinent zijn) niet meer te krijgen, en dan hadden we het er nog niet over dat er mensen al maanden zaten te wachten op een operatie, of op kunstledematen. Of op een rolstoel. We dachten: veel erger kan het niet meer worden. Dat is in Gaza een verkeerde leuze, het kon nog erger, het werd nog veel erger.

Op 27 december begon de aanval met een zwaar bombardement vanuit de lucht, op een moment dat gekozen was om zoveel mogelijk paniek te veroorzaken: net toen de scholen uitgingen en er honderdduizenden kinderen op straat waren. Meteen meer dan tweehonderd doden. Het hele leven stond met een klap stil. En het bleef dag na dag doorgaan. ’s Nachts sliep niemand meer, mensen vluchtten met dekens naar familie of naar de VN-scholen in de hoop daar veiliger te zijn – om ook daar beschoten te worden. En ik keek vanuit Nederland met wanhoop en woede op Al Jazeera Engels naar de vreselijke beelden, de ziekenhuizen die volliepen met doden en gewonden, overwerkte en wanhopige artsen die redden wat er te redden viel, met veel te weinig middelen, met patienten die in de gang moesten liggen, met schreeuwende en huilende familieleden die niet wisten of hun kinderen, hun ouders nog leefden. Dit was wat er gebeurde: een samenleving van anderhalf miljoen op elkaar gepakte mensen, de helft van hen kinderen, die geen kant op konden, niet konden vluchten, terwijl hun wereld om hen heen letterlijk in de puin stortte. En de hele wereld keek toe, en niemand deed wat.

De oorlog tegen Gaza is voorbij, in ieder geval voor even, want geen van de problemen zijn nog opgelost. De schade is enorm, het gaat jaren duren voor alles weer is opgebouwd. De 1300 doden zijn begraven. Maar nu de gewonden nog: van de ongeveer vijfduizend gewonden zullen er naar schatting duizend gehandicapt blijven. De wapens die gebruikt zijn – daar moet nog onderzoek naar gedaan worden – leken bedoeld om maximale schade aan het menselijk lichaam te veroorzaken. Fosforbommen veroorzaken diepe brandwonden, bommen die uit de lucht worden gegooid scheuren mensenlichamen uit elkaar. Er zijn granaatscherven aangetroffen die in het lichaam een enorme schade aanrichten, en er zijn granaten die zo ontploffen dat vooral benen worden afgesneden. Er is een enorm aantal amputaties verricht, en veel mensen die het hebben overleefd moeten door zonder armen of benen. Het NCCR krijgt er een enorme zware taak bij.

En wij gaan ze helpen. Wij moeten ervoor zorgen dat de spullen de grens overkomen die ze nodig hebben, dat ze geld genoeg hebben om extra medische hulp aan te stellen, dat ze benzine kunnen kopen om de auto’s te laten rijden. Dat wonden verbonden kunnen worden, dat er pijnstillers zijn, dat er psychologen zijn die met al die getraumatiseerde mensen kunnen praten.

Dus geef. We kunnen ze niet laten zitten. Is dat schuld afkopen met een beetje geld? Kan niet schelen. Geef. Geef nu.