Cultuurverschillen

Cultuurverschillen werken niet altijd alleen maar tegen als je gaat samenwerken.

Ik herinner me wel, in die beginjaren, dat ik met vrouwen in Gaza kennismaakte. Dan is de eerste vraag meestal ‘heb je kinderen’, want zo doen vrouwen dat overal ter wereld. Eentje, zei ik. Je zag aan de gezichten dat ze dat een beetje zielig vonden met een gemiddelde kinderschaar van zes kinderen. Als iemand dan dapper of nieuwsgierig genoeg was, vroeg ze door. ‘Your husband?’ ‘No husband’, zei ik en legde dat even kort door de bocht naar naar waarheid uit: ‘he beat’. Oh. Nee, dat begrepen ze wel en goed dat ik van hem af was gekomen. En mijn zoon, die woonde zeker nu bij mij? Nee, zei ik dan, die is al volwassen, dus die woont alleen. En dan kwam er een moment van volledig onbegrip. Want ik ging er van uit dat een zoon die oud genoeg is het huis uitgaat en hun vraag was eigenlijk, maar wie zorgt er nou voor jou? Als je geen man hebt, dan is dat automatisch je oudste zoon. Wat asociaal, dat die je dan laat zitten.

Een van de grootste verschillen is ons vergaande westerse individualisme, terwijl de Palestijnen in Gaza zichzelf zonder er bij na te denken ervaren als deel van een grote familie, waar je nooit helemaal los van komt. Dat had nadelen, individuele emancipatie is moeilijk, maar ook voordelen. Niemand stond er ooit alleen voor en zelfs iemand helemaal van de andere kant van de familie mocht nog op je rekenen als hij geen baan had en geld nodig had voor schoenen. Ik herinner me dat Ramadan, de audioloog en tolk eens zei dat hij alleen ging wonen. Alleen? Het leek ons een complete revolutie. Tot we hoorden wat hij bedoelde. Hij woonde met zijn familie in een complex woningen in Bureje kamp, twee families eigenlijk want zijn vader had twee vrouwen en met ieder van die vrouwen had hij een heleboel kinderen, waarvan de dochters wegtrouwden. Maar de zoons bleven, die met hun vrouwen ook weer kinderen kregen en zo werden er steeds weer kamers aan het complex gebouwd tot zelfs de laatste vijgenboom op het binnenplaatsje gekapt moest worden. We begrepen al snel wat hij met ‘alleen’ bedoelde, dat hij met zijn jonge vrouw en hun twee kleine kinderen twee kamertjes voor zichzelf kreeg, met een eigen keukentje. Wat hem er niet van weerhield om elke ochtend bij zijn moeder te gaan ontbijten. Zo’n moeder was een ware matriarch, een heerseres in haar koninkrijkje, die toezicht hield op zo’n dertig kleinkinderen.

Toen ze in Palestina hoorden dat er in een hete zomer in Europa vele bejaarden waren gestorven zonder dat iemand er bij was en zonder dat er iemand gevonden kon worden die ze netjes zouden begraven waren ze ontzet. Dat kon in Gaza toch niemand gebeuren. En zo leerde ik voor de verandering eens met hun ogen naar mijn eigen maatschappij te kijken: toch wel een beetje vreemd dat wij gewend zijn om mensen waar iets mee is netjes gesorteerd naar wat er mis mee is, dement, of moeilijk opvoedbaar, elders onder te brengen. Omdat onze gezinnen zo klein zijn dat er niemand is om voor ze te zorgen. Ik herinnerde me een moslima in de Balkan die eens op bezoek was geweest in Nederland, en zei: jullie zijn een raar volk. Je hond mag op de bank zitten maar je oude moeder doe je de deur uit.

De aanpak om mensen met een handicap in hun omgeving te laten, en de familieleden mee te trainen om de verzorging op zich te nemen, paste daar beter in de cultuur dan in de onze. In die grote families, drie generaties bij elkaar, waren er altijd wel mensen thuis. Dat er bovendien heel weinig voorzieningen waren die de naam ‘revalidatie’ verdienden was een bijkomstigheid. Families hielden hun eigen mensen, oud geworden, of verlamd, of met een hersenbeschadiging, liever thuis, en zouden het een schande hebben gevonden om die de deur uit te doen. Zo haakte onze aanpak eigenlijk fantastisch aan bij hun traditionele cultuur.

Anja Meulenbelt